Alcoholwet

Inhoud

Artikel 44a

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-12-2004.
  1. Ter zake van de in de bijlage omschreven overtredingen kan Onze Minister een boete opleggen aan de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend.

  2. De hoogte van de boete wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de wegens een afzonderlijke overtreding te betalen geldsom ten hoogste € 100 000 bedraagt.

  3. Overtredingen, met uitzondering van overtreding van artikel 9, tweede lid, of artikel 29, tweede lid, kunnen, in afwijking van het eerste lid, niet met een boete worden afgedaan, indien:

    1. de overtreding een direct gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de mens tot gevolg heeft; of

    2. de in de bijlage ter zake van de overtreding voorziene boete aanmerkelijk wordt overschreden door het met de overtreding behaalde economisch voordeel.

  4. Onze Minister kan de boete lager stellen dan in de bijlage is bepaald, ingeval het bedrag van de boete op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog moet worden geacht.

  5. De werkzaamheden in verband met de uitvoering van het eerste lid worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij de opstelling van het in artikel 44e bedoelde rapport en het daaraan voorafgaande onderzoek.

  6. De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt, indien ter zake van de overtreding op grond waarvan de boete kan worden opgelegd:

    1. tegen de overtreder een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 74 of 74c van het Wetboek van Strafrecht;

    2. door burgemeester en wethouders aan de vergunninghouder schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen de vergunning in te trekken, overeenkomstig artikel 31, vierde lid.

  7. Het recht tot strafvervolging vervalt indien Onze Minister reeds een boete heeft opgelegd.

12-02-2025 Huidig 01-01-2025 Historisch 01-04-2024 Historisch 01-01-2024 Historisch 05-10-2023 Historisch 01-07-2023 Historisch 15-08-2022 Historisch 01-07-2021 Historisch 31-12-2017 Historisch 01-01-2015 Historisch 15-02-2014 Historisch 01-01-2014 Historisch 01-01-2013 Historisch 01-01-2012 Historisch 14-07-2010 Historisch 01-07-2009 Historisch 14-09-2005 Historisch 31-07-2005 Historisch 01-07-2005 Historisch 01-12-2004 Historisch
Voor dit artikel is deze tekst gewijzigd in 01-07-2009.

Tekst van deze versie

  1. Ter zake van de in de bijlage omschreven overtredingen kan Onze Minister een boete opleggen aan de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend.

  2. De hoogte van de boete wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de wegens een afzonderlijke overtreding te betalen geldsom ten hoogste € 100 000 bedraagt.

  3. Overtredingen, met uitzondering van overtreding van artikel 9, tweede lid, of artikel 29, tweede lid, kunnen, in afwijking van het eerste lid, niet met een boete worden afgedaan, indien:

    1. de overtreding een direct gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de mens tot gevolg heeft; of

    2. de in de bijlage ter zake van de overtreding voorziene boete aanmerkelijk wordt overschreden door het met de overtreding behaalde economisch voordeel.

  4. Onze Minister kan de boete lager stellen dan in de bijlage is bepaald, ingeval het bedrag van de boete op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog moet worden geacht.

  5. De werkzaamheden in verband met de uitvoering van het eerste lid worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij de opstelling van het in artikel 44e bedoelde rapport en het daaraan voorafgaande onderzoek.

  6. De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt, indien ter zake van de overtreding op grond waarvan de boete kan worden opgelegd:

    1. tegen de overtreder een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 74 of 74c van het Wetboek van Strafrecht;

    2. door burgemeester en wethouders aan de vergunninghouder schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen de vergunning in te trekken, overeenkomstig artikel 31, vierde lid.

  7. Het recht tot strafvervolging vervalt indien Onze Minister reeds een boete heeft opgelegd.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Alcoholwet