-
De burgemeester kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding binnen zijn gemeente van het bij of krachtens de artikelen 3, 4, 9, derde, vierde en vijfde lid, 12 tot en met 19, 20, eerste tot en met vijfde lid, 22, eerste en tweede lid, 24, 25, behoudens het derde lid, 25a tot en met 25d, 29, derde lid, 35, tweede en vierde lid, of 38 gestelde.
-
De hoogte van de bestuurlijke boete wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de wegens een afzonderlijke overtreding te betalen geldsom ten hoogste € 100 000 bedraagt.
-
Overtredingen kunnen, in afwijking van het eerste lid, niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien:
de overtreding een direct gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de mens tot gevolg heeft;
de in de bijlage ter zake van de overtreding voorziene bestuurlijke boete aanmerkelijk wordt overschreden door het met de overtreding behaalde economisch voordeel; of
door de burgemeester toepassing is gegeven aan artikel 19a, eerste lid.
-
De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt, indien ter zake van de overtreding op grond waarvan de bestuurlijke boete kan worden opgelegd door de burgemeester aan de vergunninghouder schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen de vergunning in te trekken.
-
De boete komt toe aan de gemeente, waar de overtreding heeft plaatsgevonden.
Inhoud
Artikel 44a
HISTORISCH
Je bekijkt een oudere officiële versie van 01-01-2013.
Deze versie geldt vanaf 01-01-2013.
12-02-2025
Huidig
01-01-2025
Historisch
01-04-2024
Historisch
01-01-2024
Historisch
05-10-2023
Historisch
01-07-2023
Historisch
15-08-2022
Historisch
01-07-2021
Historisch
31-12-2017
Historisch
01-01-2015
Historisch
15-02-2014
Historisch
01-01-2014
Historisch
01-01-2013
Historisch
01-01-2012
Historisch
14-07-2010
Historisch
01-07-2009
Historisch
14-09-2005
Historisch
31-07-2005
Historisch
01-07-2005
Historisch
01-12-2004
Historisch
Vergelijking met vorige versie
Vergeleken met 01-07-2009
Tekst van deze versie
- OnzeDe Ministerburgemeester kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding binnen zijn gemeente van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2,3, 3,4, 9, tweedederde, vierde en vijfde lid, 12 tot en met 19, 20, eerste tot en met vijfde lid, 22, eerste en tweede lid, 24, 25, behoudens het derde lid, 25a tot en met 25d, 29, derde lid, 35, tweede en vierde lid, 20, zesde lid, 22, 24, 25 of 29,38 tweede lid.gestelde.
-
De hoogte van de bestuurlijke boete wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de wegens een afzonderlijke overtreding te betalen geldsom ten hoogste € 100 000 bedraagt.
-
Overtredingen, met uitzondering van overtreding van artikel 9, tweede lid, of artikel 29, tweede lid,Overtredingen kunnen, in afwijking van het eerste lid, niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien:
- de overtreding een direct gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de mens tot gevolg heeft; of
- de in de bijlage ter zake van de overtreding voorziene bestuurlijke boete aanmerkelijk wordt overschreden door het met de overtreding behaalde economisch voordeel.voordeel; of
- De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt, indien ter zake vandoor de overtreding op grond waarvan de bestuurlijke boete kan worden opgelegd door burgemeester entoepassing wethoudersis gegeven aan de vergunninghouder schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen de vergunning in te trekken, overeenkomstig artikel 31,19a, vierdeeerste lid.
- De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt, indien ter zake van de overtreding op grond waarvan de bestuurlijke boete kan worden opgelegd door de burgemeester aan de vergunninghouder schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen de vergunning in te trekken.
- De boete komt toe aan de gemeente, waar de overtreding heeft plaatsgevonden.
Nog geen automatische verwijzingen.
Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.