Faillissementswet

Inhoud

Artikel 212a

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-01-2007.

Voor de toepassing van deze afdeling en afdeling 11AA wordt verstaan onder:

  1. instelling:

    1. een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;

    2. een financiële instelling die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht heeft;

    3. een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;

    4. een centrale tegenpartij, indien deze in het kader van deelname aan het systeem op grond van een overboekingsopdracht effectentegoeden verkrijgt;

    5. een overheidsinstantie of onderneming met overheidsgarantie;

    6. een ieder, bedoeld in artikel 3:4 van de Wet op het financieel toezicht, die een vergunning heeft als bedoeld in artikel 2:11 van die wet;

    7. een clearinginstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht.

  2. systeem:

    1. een door de Minister van Financiën op grond van artikel 212d aangewezen systeem;

    2. een formele overeenkomst waarop het recht van een lidstaat van de Europese Unie van toepassing is en die door een andere lidstaat van de Europese Unie als systeem in de zin van richtlijn nr. 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 mei 1998 (PbEG L 166) is aangemeld bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen;

  3. centrale tegenpartij: een lichaam dat tussen de instellingen die deelnemen aan een systeem, in staat en dat optreedt als de exclusieve tegenpartij van deze instellingen met betrekking tot hun overboekingsopdrachten;

  4. afwikkelende instantie: een lichaam dat aan instellingen of centrale tegenpartijen die deelnemen aan systemen, afwikkelingsrekeningen beschikbaar stelt via welke overboekingsopdrachten binnen die systemen worden afgewikkeld;

  5. verrekeningsinstituut: een lichaam dat verantwoordelijk is voor de berekening van de netto posities van de instellingen, een eventuele centrale tegenpartij of een eventuele afwikkelende instantie;

  6. deelnemer: een instelling, een centrale tegenpartij, een afwikkelende instantie, dan wel een verrekeningsinstituut;

  7. indirecte deelnemer: een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, of een financiële instelling als bedoeld in artikel 1:1 van die wet, die op grond van een overeenkomst met een instelling die deelneemt in een systeem via het systeem een geldsom ter beschikking van een ontvanger kan stellen door middel van een boeking in de rekening van een kredietinstelling, een financiële instelling, een centrale bank of een afwikkelende instantie;

  8. centrale bank: een centrale bank van een lidstaat van de Europese Unie, de centrale bank van een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel de Europese Centrale Bank;

  9. bijkantoor: een duurzaam in een andere staat dan de staat van de zetel aanwezig onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid van een instelling;

  10. effect: een effect als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;

  11. overboekingsopdracht: een opdracht door een deelnemer om door middel van een boeking op de rekeningen van een kredietinstelling, een centrale bank of een afwikkelende instantie een geldsom ter beschikking van een ontvanger te stellen, of iedere opdracht die resulteert in het op zich nemen of het nakomen van een betalingsverplichting zoals gedefinieerd in de regels van het systeem, dan wel een opdracht door een deelnemer om door middel van een boeking in een register of anderszins, de rechten op of de rechten ten aanzien van één of meer effecten over te boeken;

  12. insolventieprocedure: elke collectieve maatregel waarin de wetgeving van een lidstaat of van een derde land voorziet, met het oog op de liquidatie of de sanering van de deelnemer indien een dergelijke maatregel gepaard gaat met opschorting van, of oplegging van beperkingen aan overboekingen en betalingen;

  13. verrekening: het in één nettovordering of nettoverplichting omzetten van vorderingen en verplichtingen die voortvloeien uit overboekingsopdrachten die een deelnemer geeft aan of ontvangt van, dan wel die deelnemers geven aan of ontvangen van, één of meer andere deelnemers, met als gevolg dat er alleen een nettovordering of een nettoverplichting ontstaat;

  14. afwikkelingsrekening: een rekening bij een centrale bank, een afwikkelende instantie of een centrale tegenpartij, die gebruikt wordt voor het houden van geld of effecten en waarmee ook transacties tussen deelnemers aan een systeem worden afgewikkeld.

25-03-2026 Huidig 19-11-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 10-07-2024 Historisch 01-07-2024 Historisch 01-01-2024 Historisch 15-11-2023 Historisch 01-07-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 04-11-2022 Historisch 01-10-2022 Historisch 08-07-2022 Historisch 03-03-2022 Historisch 21-12-2021 Historisch 19-10-2021 Historisch 01-01-2021 Historisch 15-10-2020 Historisch 01-10-2020 Historisch 27-06-2017 Historisch 01-04-2017 Historisch 01-01-2017 Historisch 01-07-2016 Historisch 01-04-2016 Historisch 01-01-2016 Historisch 26-11-2015 Historisch 01-07-2015 Historisch 12-06-2015 Historisch 01-01-2015 Historisch 01-01-2014 Historisch 01-07-2013 Historisch 01-01-2013 Historisch 01-10-2012 Historisch 01-07-2012 Historisch 13-06-2012 Historisch 20-01-2012 Historisch 01-01-2012 Historisch 01-07-2011 Historisch 11-05-2011 Historisch 30-04-2011 Historisch 01-01-2011 Historisch 01-04-2009 Historisch 16-03-2009 Historisch 01-01-2009 Historisch 01-09-2008 Historisch 01-05-2008 Historisch 26-03-2008 Historisch 01-01-2008 Historisch 01-01-2007 Historisch 01-01-2002 Historisch

Vergelijking met vorige versie

Vergeleken met 01-01-2002

Tekst van deze versie

Voor de toepassing van deze afdeling en afdeling 11AA wordt verstaan onder:

  1. instelling:

    1. 1°een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a,1:1 van de Wet toezichtop kredietwezenhet 1992;financieel toezicht;
    2. 2°een financiële instelling die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 1,3:110, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op het financieel toezicht kredietwezen 1992;heeft;
    3. 3°een effecteninstellingbeleggingsonderneming als bedoeld in artikel 1, onderdeel d,1:1 van de Wet toezichtop effectenverkeerhet 1995;financieel toezicht;
    4. een centrale tegenpartij, indien deze in het kader van deelname aan het systeem op grond van een overboekingsopdracht effectentegoeden verkrijgt;

    5. een overheidsinstantie of onderneming met overheidsgarantie;

    6. 6°een ieder, bedoeld in eenartikel staat die niet een lidstaat is3:4 van de EuropeseWet Unieop gevestigdehet ondernemingfinancieel of instellingtoezicht, die heteen bedrijfvergunning heeft als bedoeld in artikel 2:11 van kredietinstellingdie of effecteninstelling uitoefent door middel van een bijkantoor in Nederland;wet;
    7. 7°een clearinginstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht.
  2. systeem:

    1. een door de Minister van Financiën op grond van artikel 212d aangewezen systeem;

    2. een formele overeenkomst waarop het recht van een lidstaat van de Europese Unie van toepassing is en die door een andere lidstaat van de Europese Unie als systeem in de zin van richtlijn nr. 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 mei 1998 (PbEG L 166) is aangemeld bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen;

  3. centrale tegenpartij: een lichaam dat tussen de instellingen die deelnemen aan een systeem, in staat en dat optreedt als de exclusieve tegenpartij van deze instellingen met betrekking tot hun overboekingsopdrachten;

  4. afwikkelende instantie: een lichaam dat aan instellingen of centrale tegenpartijen die deelnemen aan systemen, afwikkelingsrekeningen beschikbaar stelt via welke overboekingsopdrachten binnen die systemen worden afgewikkeld;

  5. verrekeningsinstituut: een lichaam dat verantwoordelijk is voor de berekening van de netto posities van de instellingen, een eventuele centrale tegenpartij of een eventuele afwikkelende instantie;

  6. deelnemer: een instelling, een centrale tegenpartij, een afwikkelende instantie, dan wel een verrekeningsinstituut;

  7. indirecte deelnemer: een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a,1:1 van de Wet toezichtop kredietwezenhet 1992,financieel dantoezicht, welof een financiële instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c,1:1 van dedie Wet toezicht kredietwezen 1992,wet, die op grond van een overeenkomst met een instelling die deelneemt in een systeem via het systeem een geldsom ter beschikking van een ontvanger kan stellen door middel van een boeking in de rekening van een kredietinstelling, een financiële instelling, een centrale bank of een afwikkelende instantie;
  8. centrale bank: een centrale bank van een lidstaat van de Europese Unie, de centrale bank van een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel de Europese Centrale Bank;

  9. bijkantoor: ééneen ofduurzaam meerin onderdeleneen andere staat dan de staat van de zetel aanwezig onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid van een instelling die in een andere staat zijn gevestigd dan die waarin die instelling gevestigd is;instelling;
  10. effecten:effect: effecteneen effect als bedoeld in artikel 1, onderdeel a,1:1 van de Wet toezichtop effectenverkeerhet 1995;financieel toezicht;
  11. overboekingsopdracht: een opdracht door een deelnemer om door middel van een boeking op de rekeningen van een kredietinstelling, een centrale bank of een afwikkelende instantie een geldsom ter beschikking van een ontvanger te stellen, of iedere opdracht die resulteert in het op zich nemen of het nakomen van een betalingsverplichting zoals gedefinieerd in de regels van het systeem, dan wel een opdracht door een deelnemer om door middel van een boeking in een register of anderszins, de rechten op of de rechten ten aanzien van één of meer effecten over te boeken;

  12. insolventieprocedure: elke collectieve maatregel waarin de wetgeving van een lidstaat of van een derde land voorziet, met het oog op de liquidatie of de sanering van de deelnemer indien een dergelijke maatregel gepaard gaat met opschorting van, of oplegging van beperkingen aan overboekingen en betalingen;

  13. verrekening: het in één nettovordering of nettoverplichting omzetten van vorderingen en verplichtingen die voortvloeien uit overboekingsopdrachten die een deelnemer geeft aan of ontvangt van, dan wel die deelnemers geven aan of ontvangen van, één of meer andere deelnemers, met als gevolg dat er alleen een nettovordering of een nettoverplichting ontstaat;

  14. afwikkelingsrekening: een rekening bij een centrale bank, een afwikkelende instantie of een centrale tegenpartij, die gebruikt wordt voor het houden van geld of effecten en waarmee ook transacties tussen deelnemers aan een systeem worden afgewikkeld.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Faillissementswet