Deze afdeling is van toepassing op:
een kredietinstelling ten aanzien waarvan de Minister van Financiën op grond van artikel 1, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, heeft bepaald dat zij niet wordt beschouwd als een kredietinstelling in de zin van die wet;
een kredietinstelling ten aanzien waarvan De Nederlandsche Bank N.V. op grond van artikel 1, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, heeft bepaald dat zij niet wordt beschouwd als een kredietinstelling in de zin van die wet;
een financiële instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;
een effecteninstelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;
een centrale tegenpartij, indien deze in het kader van deelname aan het systeem op grond van een overboekingsopdracht effectentegoeden verkrijgt;
een overheidsinstantie of onderneming met overheidsgarantie;
een in een staat die niet een lidstaat is van de Europese Unie gevestigde onderneming of instelling die het bedrijf van effecteninstelling uitoefent door middel van een bijkantoor in Nederland.