Participatiewet

Inhoud

Artikel 4

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-01-2012.
  1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    1. alleenstaande: de ongehuwde die

      1. geen tot zijn last komende kinderen heeft,

      2. geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte, en

      3. die niet een of meer meerderjarige kinderen heeft die hun hoofdverblijf in dezelfde woning als de ongehuwde hebben;

    2. alleenstaande ouder: de ongehuwde die

      1. de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen,

      2. geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte, en

      3. niet een of meer meerderjarige kinderen heeft die hun hoofdverblijf in dezelfde woning als de ongehuwde hebben;

    3. gezin:

      1. de gehuwden tezamen,

      2. de gehuwden met de tot hun laste komende kinderen en hun meerderjarige kinderen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning als de gehuwden hebben,

      3. de alleenstaande of alleenstaande ouder met een of meer meerderjarige kinderen die in dezelfde woning als de alleenstaande of de alleenstaande ouder hun hoofdverblijf hebben;

    4. kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind of, voor de toepassing van de artikelen 9, 25, eerste lid, 26 en 30, tweede lid, het in Nederland woonachtige pleegkind, of, voor zover het een meerderjarig kind betreft, de echtgenoot van het eigen kind of stiefkind;

    5. ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie aan de alleenstaande ouder of de gehuwde op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald, zal worden betaald of zou worden betaald indien artikel 7, tweede lid, van die wet niet van toepassing zou zijn.

  2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder meerderjarig kind niet verstaan het kind wiens in aanmerking te nemen inkomen niet meer bedraagt dan € 1023,42 per 1 januari 2012: € 1059,49per maand, en dat:

    1. uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt;

    2. aanspraak kan maken op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000; of

    3. voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in aanmerking komt.

  3. Indien de ten laste komende kinderen of de meerderjarige kinderen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2 of onder 3, van de gehuwde, van de alleenstaande of van de alleenstaande ouder, een of meer ten laste komende kinderen of meerderjarige kinderen hebben die in dezelfde woning, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2 of onder 3, hun hoofdverblijf hebben, behoren alle in dit lid bedoelde personen tot hetzelfde gezin.

  4. Onder een ander als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2, en onderdeel b, onder 2, wordt niet verstaan een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde.

  5. Op verzoek van de belanghebbende kan het college gelet op de duur van de te verlenen zorg besluiten dat een gehuwde, alleenstaande, alleenstaande ouder of meerderjarig kind als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2 of onder 3, niet tot een gezin behoort, indien die persoon:

    1. jonger is dan 65 jaar:

      1. aantoont door middel van een geldig indicatiebesluit dat hij is aangewezen op tien of meer uren per week zorg als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, voor zover het betreft persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, verblijf, of voortgezet verblijf, waarbij voor begeleiding, verblijf of voortgezet verblijf een dagdeel geldt als 4 uren en een etmaal als 24 uren;

      2. aantoont dat hij voor in ieder geval tien van de uren zorg per week waarop hij op grond van het indicatiebesluit, bedoeld onder 1°, is aangewezen geen persoonsgebonden budget ontvangt en dat in ieder geval tien van die uren zorg per week niet worden verleend door een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten; en

      3. aannemelijk maakt dat een of meer van diens meerderjarige kinderen die tot dat gezin behoren respectievelijk een of meer van diens ouders die tot dat gezin behoren in ieder geval tien van de uren zorg per week waarop hij op grond van het indicatiebesluit, bedoeld onder 1°, is aangewezen, aan die persoon verlenen;

    2. 65 jaar of ouder is en:

      1. voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in onderdeel a, onder 1, 2 en 3; en

      2. op de dag voordat hij recht heeft op ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in onderdeel a, onder 1.

  6. Indien een persoon op grond van het tweede of vijfde lid niet tot het gezin behoort wordt hij als alleenstaande aangemerkt. De overgebleven leden van het gezin, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2 of 3, worden als gezin aangemerkt. Indien de overgebleven leden van het gezin, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2 of 3, bestaan uit één meerderjarige persoon dan wel één meerderjarige persoon met een of meer minderjarige personen wordt deze meerderjarige persoon voor de toepassing van paragraaf 3.2 evenwel als alleenstaande respectievelijk alleenstaande ouder aangemerkt.

01-07-2026 Huidig 03-04-2026 Historisch 04-02-2026 Historisch 01-01-2026 Historisch 01-07-2025 Historisch 04-02-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 01-07-2024 Historisch 01-01-2024 Historisch 07-10-2023 Historisch 01-10-2023 Historisch 01-07-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 26-08-2022 Historisch 01-08-2022 Historisch 01-07-2022 Historisch 01-04-2022 Historisch 15-03-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 21-12-2021 Historisch 15-11-2021 Historisch 01-10-2021 Historisch 01-07-2021 Historisch 01-01-2021 Historisch 17-12-2020 Historisch 01-11-2020 Historisch 01-10-2020 Historisch 01-07-2020 Historisch 01-04-2020 Historisch 01-03-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch 18-12-2019 Historisch 01-07-2019 Historisch 01-01-2019 Historisch 23-11-2018 Historisch 28-07-2018 Historisch 01-07-2018 Historisch 25-05-2018 Historisch 01-01-2018 Historisch 16-12-2017 Historisch 01-10-2017 Historisch 01-09-2017 Historisch 01-07-2017 Historisch 12-12-2013 Historisch 01-07-2013 Historisch 01-01-2013 Historisch 18-07-2012 Historisch 01-07-2012 Historisch 01-04-2012 Historisch 01-01-2012 Historisch 01-07-2011 Historisch 01-06-2011 Historisch 01-01-2011 Historisch 10-10-2010 Historisch 01-07-2010 Historisch 01-02-2010 Historisch 01-01-2010 Historisch 01-12-2009 Historisch 01-10-2009 Historisch 01-08-2009 Historisch 28-07-2009 Historisch 08-07-2009 Historisch 01-07-2009 Historisch 01-04-2009 Historisch 25-03-2009 Historisch 01-01-2009 Historisch 01-08-2008 Historisch 18-07-2008 Historisch 01-07-2008 Historisch 27-06-2008 Historisch 13-06-2008 Historisch 28-03-2008 Historisch 01-01-2008 Historisch 03-11-2007 Historisch 01-07-2007 Historisch 01-04-2007 Historisch 01-01-2007 Historisch 13-12-2006 Historisch 11-10-2006 Historisch 01-10-2006 Historisch 01-09-2006 Historisch 29-08-2006 Historisch 01-07-2006 Historisch 01-01-2006 Historisch 29-12-2005 Historisch 01-09-2005 Historisch 15-04-2005 Historisch 09-03-2005 Historisch 01-01-2005 Historisch 23-07-2004 Historisch 01-07-2004 Historisch 01-04-2004 Historisch 01-01-2004 Historisch

Vergelijking met vorige versie

Vergeleken met 01-01-2011

Tekst van deze versie

  1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    1. alleenstaande: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;

      1. alleenstaande ouder: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor een of meer1°geen tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;heeft,
      2. 2°geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte, en
      3. 3°die niet een of meer meerderjarige kinderen heeft die hun hoofdverblijf in dezelfde woning als de ongehuwde hebben;
    2. alleenstaande ouder: de ongehuwde die

      1. 1°de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen,
      2. 2°geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte, en
      3. 3°niet een of meer meerderjarige kinderen heeft die hun hoofdverblijf in dezelfde woning als de ongehuwde hebben;
    3. gezin:

      1. 1°de gehuwden tezamen;tezamen,
      2. 2°de gehuwden met de tot hun lastlaste komende kinderen;kinderen en hun meerderjarige kinderen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning als de gehuwden hebben,
      3. 3°de alleenstaande of alleenstaande ouder met een of meer meerderjarige kinderen die in dezelfde woning als de totalleenstaande zijnof lastde komendealleenstaande kinderen;ouder hun hoofdverblijf hebben;
    4. kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind of, voor de toepassing van de artikelen 9, 9a, 25, eerste lid, 26 en 30, tweede lid, het in Nederland woonachtige pleegkind;pleegkind, of, voor zover het een meerderjarig kind betreft, de echtgenoot van het eigen kind of stiefkind;
    5. ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie aan de alleenstaande ouder of de gehuwde op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald, zal worden betaald of zou worden betaald indien artikel 7, tweede lid, van die wet niet van toepassing zou zijn.

  2. OnderIn bloedverwantdeze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder meerderjarig kind niet verstaan het kind wiens in deaanmerking eerstete graadnemen alsinkomen bedoeldniet inmeer hetbedraagt eerstedan lid, onderdelen1023,42 aper 1 januari 2012: € 1059,49per maand, en b, wordt mede verstaan een meerderjarig stiefkind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde.dat:

    1. uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt;
    2. aanspraak kan maken op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000; of
    3. voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in aanmerking komt.
  3. Indien de ten laste komende kinderen of de meerderjarige kinderen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2 of onder 3, van de gehuwde, van de alleenstaande of van de alleenstaande ouder, een of meer ten laste komende kinderen of meerderjarige kinderen hebben die in dezelfde woning, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2 of onder 3, hun hoofdverblijf hebben, behoren alle in dit lid bedoelde personen tot hetzelfde gezin.
  4. Onder een ander als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2, en onderdeel b, onder 2, wordt niet verstaan een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde.
  5. Op verzoek van de belanghebbende kan het college gelet op de duur van de te verlenen zorg besluiten dat een gehuwde, alleenstaande, alleenstaande ouder of meerderjarig kind als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2 of onder 3, niet tot een gezin behoort, indien die persoon:

    1. jonger is dan 65 jaar:

      1. 1°aantoont door middel van een geldig indicatiebesluit dat hij is aangewezen op tien of meer uren per week zorg als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, voor zover het betreft persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, verblijf, of voortgezet verblijf, waarbij voor begeleiding, verblijf of voortgezet verblijf een dagdeel geldt als 4 uren en een etmaal als 24 uren;
      2. 2°aantoont dat hij voor in ieder geval tien van de uren zorg per week waarop hij op grond van het indicatiebesluit, bedoeld onder 1°, is aangewezen geen persoonsgebonden budget ontvangt en dat in ieder geval tien van die uren zorg per week niet worden verleend door een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten; en
      3. 3°aannemelijk maakt dat een of meer van diens meerderjarige kinderen die tot dat gezin behoren respectievelijk een of meer van diens ouders die tot dat gezin behoren in ieder geval tien van de uren zorg per week waarop hij op grond van het indicatiebesluit, bedoeld onder 1°, is aangewezen, aan die persoon verlenen;
    2. 65 jaar of ouder is en:

      1. 1°voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in onderdeel a, onder 1, 2 en 3; en
      2. 2°op de dag voordat hij recht heeft op ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in onderdeel a, onder 1.
  6. Indien een persoon op grond van het tweede of vijfde lid niet tot het gezin behoort wordt hij als alleenstaande aangemerkt. De overgebleven leden van het gezin, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2 of 3, worden als gezin aangemerkt. Indien de overgebleven leden van het gezin, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2 of 3, bestaan uit één meerderjarige persoon dan wel één meerderjarige persoon met een of meer minderjarige personen wordt deze meerderjarige persoon voor de toepassing van paragraaf 3.2 evenwel als alleenstaande respectievelijk alleenstaande ouder aangemerkt.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Participatiewet