In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
bijstand: algemene en bijzondere bijstand;
algemene bijstand: de bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan;
bijstandsnorm: de op grond van paragraaf 3.2, op de belanghebbende van toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de op grond van paragraaf 3.3, door het college vastgestelde verhoging of verlaging;
bijzondere bijstand: de bijstand, bedoeld in artikel 35, en de langdurigheidstoeslag, bedoeld in artikel 36;
voorliggende voorziening: elke voorziening buiten deze wet waarop de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.