-
Artikel 9a, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650), blijft van toepassing op de alleenstaande ouder die op de dag voor inwerkingtreding van die wet een ontheffing heeft op grond van artikel 9a, gedurende de duur van de ontheffing, doch ten hoogste gedurende zes maanden na inwerkingtreding van die wet.
-
Artikel 31, tweede lid, onderdeel c, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650), blijft van toepassing en artikel 31, tweede lid, onderdeel r, is niet van toepassing, gedurende twee maanden na inwerkingtreding van die wet, op de alleenstaande ouder:
op wie op de dag voor inwerkingtreding van die wet de vrijlating van het bedrag waarmee de alleenstaande ouderkorting wordt vermeerderd, bedoeld in artikel 8.15, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de inkomensafhankelijke combinatiekorting van toepassing is; en
voor wie de toepassing van artikel 31, tweede lid, onderdeel c, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van die wet tot een hogere uitkering leidt.
-
Ingeval van een alleenstaande ouder op wie:
de vrijlating van het bedrag waarmee de alleenstaande ouderkorting wordt vermeerderd, bedoeld in artikel 8.15, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de inkomensafhankelijke combinatiekorting; en
de vrijlating van inkomsten uit arbeid, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel n;
van toepassing is op de dag voor inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650) blijft de vrijlating, bedoeld in onderdeel a, in afwijking van het tweede lid, van toepassing gedurende de periode dat op de alleenstaande ouder de vrijlating, bedoeld in onderdeel b, van toepassing is.
-
Dit artikel vervalt zes maanden na zijn inwerkingtreding.
Inhoud
Artikel 78p
Vergelijking met vorige versie
Tekst van deze versie
- ⚠Artikel Dit9a, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650), blijft van toepassing op de alleenstaande ouder die op de dag voor inwerkingtreding van die wet een ontheffing heeft op grond van artikel is9a, vervallen.Vervallengedurende de duur van de ontheffing, doch ten hoogste gedurende zes maanden na inwerkingtreding van die wet.
-
Artikel 31, tweede lid, onderdeel c, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650), blijft van toepassing en artikel 31, tweede lid, onderdeel r, is niet van toepassing, gedurende twee maanden na inwerkingtreding van die wet, op de alleenstaande ouder:
- op wie op de dag voor inwerkingtreding van die wet de vrijlating van het bedrag waarmee de alleenstaande ouderkorting wordt vermeerderd, bedoeld in artikel 8.15, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de inkomensafhankelijke combinatiekorting van toepassing is; en
- voor wie de toepassing van artikel 31, tweede lid, onderdeel c, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van die wet tot een hogere uitkering leidt.
-
Ingeval van een alleenstaande ouder op wie:
- de vrijlating van het bedrag waarmee de alleenstaande ouderkorting wordt vermeerderd, bedoeld in artikel 8.15, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de inkomensafhankelijke combinatiekorting; en
- de vrijlating van inkomsten uit arbeid, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel n;
van toepassing is op de dag voor inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650) blijft de vrijlating, bedoeld in onderdeel a, in afwijking van het tweede lid, van toepassing gedurende de periode dat op de alleenstaande ouder de vrijlating, bedoeld in onderdeel b, van toepassing is.
- Dit artikel vervalt zes maanden na zijn inwerkingtreding.
Nog geen automatische verwijzingen.