Participatiewet

Inhoud

Artikel 78p

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-04-2012.
  1. Artikel 9a, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650), blijft van toepassing op de alleenstaande ouder die op de dag voor inwerkingtreding van die wet een ontheffing heeft op grond van artikel 9a, gedurende de duur van de ontheffing, doch ten hoogste gedurende zes maanden na inwerkingtreding van die wet.

  2. Artikel 31, tweede lid, onderdeel c, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650), blijft van toepassing en artikel 31, tweede lid, onderdeel r, is niet van toepassing, gedurende twee maanden na inwerkingtreding van die wet, op de alleenstaande ouder:

    1. op wie op de dag voor inwerkingtreding van die wet de vrijlating van het bedrag waarmee de alleenstaande ouderkorting wordt vermeerderd, bedoeld in artikel 8.15, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de inkomensafhankelijke combinatiekorting van toepassing is; en

    2. voor wie de toepassing van artikel 31, tweede lid, onderdeel c, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van die wet tot een hogere uitkering leidt.

  3. Ingeval van een alleenstaande ouder op wie:

    1. de vrijlating van het bedrag waarmee de alleenstaande ouderkorting wordt vermeerderd, bedoeld in artikel 8.15, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de inkomensafhankelijke combinatiekorting; en

    2. de vrijlating van inkomsten uit arbeid, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel n;

    van toepassing is op de dag voor inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650) blijft de vrijlating, bedoeld in onderdeel a, in afwijking van het tweede lid, van toepassing gedurende de periode dat op de alleenstaande ouder de vrijlating, bedoeld in onderdeel b, van toepassing is.

  4. Dit artikel vervalt zes maanden na zijn inwerkingtreding.

01-07-2026 Huidig 03-04-2026 Historisch 04-02-2026 Historisch 01-01-2026 Historisch 01-07-2025 Historisch 04-02-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 01-07-2024 Historisch 01-01-2024 Historisch 07-10-2023 Historisch 01-10-2023 Historisch 01-07-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 26-08-2022 Historisch 01-08-2022 Historisch 01-07-2022 Historisch 01-04-2022 Historisch 15-03-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 21-12-2021 Historisch 15-11-2021 Historisch 01-10-2021 Historisch 01-07-2021 Historisch 01-01-2021 Historisch 17-12-2020 Historisch 01-11-2020 Historisch 01-10-2020 Historisch 01-07-2020 Historisch 01-04-2020 Historisch 01-03-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch 18-12-2019 Historisch 01-07-2019 Historisch 01-01-2019 Historisch 23-11-2018 Historisch 28-07-2018 Historisch 01-07-2018 Historisch 25-05-2018 Historisch 01-01-2018 Historisch 16-12-2017 Historisch 01-10-2017 Historisch 01-09-2017 Historisch 01-07-2017 Historisch 12-12-2013 Historisch 01-07-2013 Historisch 01-01-2013 Historisch 18-07-2012 Historisch 01-07-2012 Historisch 01-04-2012 Historisch 01-01-2012 Historisch 01-07-2011 Historisch 01-06-2011 Historisch 01-01-2011 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-01-2012.

Tekst van deze versie

  1. Artikel 9a, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650), blijft van toepassing op de alleenstaande ouder die op de dag voor inwerkingtreding van die wet een ontheffing heeft op grond van artikel 9a, gedurende de duur van de ontheffing, doch ten hoogste gedurende zes maanden na inwerkingtreding van die wet.

  2. Artikel 31, tweede lid, onderdeel c, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650), blijft van toepassing en artikel 31, tweede lid, onderdeel r, is niet van toepassing, gedurende twee maanden na inwerkingtreding van die wet, op de alleenstaande ouder:

    1. op wie op de dag voor inwerkingtreding van die wet de vrijlating van het bedrag waarmee de alleenstaande ouderkorting wordt vermeerderd, bedoeld in artikel 8.15, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de inkomensafhankelijke combinatiekorting van toepassing is; en

    2. voor wie de toepassing van artikel 31, tweede lid, onderdeel c, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van die wet tot een hogere uitkering leidt.

  3. Ingeval van een alleenstaande ouder op wie:

    1. de vrijlating van het bedrag waarmee de alleenstaande ouderkorting wordt vermeerderd, bedoeld in artikel 8.15, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de inkomensafhankelijke combinatiekorting; en

    2. de vrijlating van inkomsten uit arbeid, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel n;

    van toepassing is op de dag voor inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650) blijft de vrijlating, bedoeld in onderdeel a, in afwijking van het tweede lid, van toepassing gedurende de periode dat op de alleenstaande ouder de vrijlating, bedoeld in onderdeel b, van toepassing is.

  4. Dit artikel vervalt zes maanden na zijn inwerkingtreding.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Participatiewet