-
Op de persoon die op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650) recht heeft op algemene bijstand of een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren,:
zijn de artikelen 3, 4, 5, onderdeel e, 9, derde lid, 11, vierde lid, 18, vierde lid, 19, eerste lid, aanhef, 23, eerste lid, onderdeel b, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, 24, 31, eerste lid en tweede lid, onderdeel h, 32, derde en vierde lid, 33, vijfde lid, 34, eerste lid, onderdeel a, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel c, 35, eerste lid, 43, tweede en derde lid, 45, derde lid, aanhef, vierde en vijfde lid, 47a, eerste lid, onderdeel b, 47c, vijfde lid, 50, eerste lid, 59, eerste lid, en 78m, zoals die luidden op die dag, van toepassing;
blijven de artikelen 21, tweede lid, onderdeel c, en 32, vijfde lid, buiten toepassing;
tot het tijdstip waarop het recht op die algemene bijstand, respectievelijk de als gevolg van artikel 78t ontstane algemene bijstand, eindigt doch niet langer dan zes maanden na die datum van inwerkingtreding.
-
Ten aanzien van de persoon, bedoeld in het eerste lid, wordt tot het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, in de artikelen 21 en 22 voor «een gezin» telkens gelezen «gehuwden» en wordt voor «meerderjarige gezinsleden» telkens gelezen: echtgenoten.
-
Indien de gehuwde, de alleenstaande of de alleenstaande ouder op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650) recht op algemene bijstand of een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren heeft, doen zijn meerderjarige bloed- en aanverwanten in de eerste graad die in dezelfde woning als de gehuwde, de alleenstaande of de alleenstaande ouder hun hoofdverblijf hebben, op verzoek aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij vanaf de dag gelegen zes maanden na de dag van inwerkingtreding van die wet van invloed kunnen zijn op hun arbeidsinschakeling of het recht op bijstand van de meerderjarige bloed- en aanverwanten in de eerste graad die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben.
-
De meerderjarige bloed- en aanverwanten in de eerste graad, bedoeld in het derde lid, zijn verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
-
Dit artikel vervalt zes maanden na zijn inwerkingtreding.
Inhoud
Artikel 78s
Tekst van deze versie
-
Op de persoon die op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650) recht heeft op algemene bijstand of een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren,:
zijn de artikelen 3, 4, 5, onderdeel e, 9, derde lid, 11, vierde lid, 18, vierde lid, 19, eerste lid, aanhef, 23, eerste lid, onderdeel b, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, 24, 31, eerste lid en tweede lid, onderdeel h, 32, derde en vierde lid, 33, vijfde lid, 34, eerste lid, onderdeel a, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel c, 35, eerste lid, 43, tweede en derde lid, 45, derde lid, aanhef, vierde en vijfde lid, 47a, eerste lid, onderdeel b, 47c, vijfde lid, 50, eerste lid, 59, eerste lid, en 78m, zoals die luidden op die dag, van toepassing;
blijven de artikelen 21, tweede lid, onderdeel c, en 32, vijfde lid, buiten toepassing;
tot het tijdstip waarop het recht op die algemene bijstand, respectievelijk de als gevolg van artikel 78t ontstane algemene bijstand, eindigt doch niet langer dan zes maanden na die datum van inwerkingtreding.
-
Ten aanzien van de persoon, bedoeld in het eerste lid, wordt tot het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, in de artikelen 21 en 22 voor «een gezin» telkens gelezen «gehuwden» en wordt voor «meerderjarige gezinsleden» telkens gelezen: echtgenoten.
-
Indien de gehuwde, de alleenstaande of de alleenstaande ouder op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650) recht op algemene bijstand of een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren heeft, doen zijn meerderjarige bloed- en aanverwanten in de eerste graad die in dezelfde woning als de gehuwde, de alleenstaande of de alleenstaande ouder hun hoofdverblijf hebben, op verzoek aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij vanaf de dag gelegen zes maanden na de dag van inwerkingtreding van die wet van invloed kunnen zijn op hun arbeidsinschakeling of het recht op bijstand van de meerderjarige bloed- en aanverwanten in de eerste graad die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben.
-
De meerderjarige bloed- en aanverwanten in de eerste graad, bedoeld in het derde lid, zijn verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
-
Dit artikel vervalt zes maanden na zijn inwerkingtreding.
Nog geen automatische verwijzingen.