Participatiewet

Inhoud

Artikel 78s

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-01-2012.
  1. Op de persoon die op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650) recht heeft op algemene bijstand of een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren,:

    1. zijn de artikelen 3, 4, 5, onderdeel e, 9, derde lid, 11, vierde lid, 18, vierde lid, 19, eerste lid, aanhef, 23, eerste lid, onderdeel b, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, 24, 31, eerste lid en tweede lid, onderdeel h, 32, derde en vierde lid, 33, vijfde lid, 34, eerste lid, onderdeel a, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel c, 35, eerste lid, 43, tweede en derde lid, 45, derde lid, aanhef, vierde en vijfde lid, 47a, eerste lid, onderdeel b, 47c, vijfde lid, 50, eerste lid, 59, eerste lid, en 78m, zoals die luidden op die dag, van toepassing;

    2. blijven de artikelen 21, tweede lid, onderdeel c, en 32, vijfde lid, buiten toepassing;

    tot het tijdstip waarop het recht op die algemene bijstand, respectievelijk de als gevolg van artikel 78t ontstane algemene bijstand, eindigt doch niet langer dan zes maanden na die datum van inwerkingtreding.

  2. Ten aanzien van de persoon, bedoeld in het eerste lid, wordt tot het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, in de artikelen 21 en 22 voor «een gezin» telkens gelezen «gehuwden» en wordt voor «meerderjarige gezinsleden» telkens gelezen: echtgenoten.

  3. Indien de gehuwde, de alleenstaande of de alleenstaande ouder op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650) recht op algemene bijstand of een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren heeft, doen zijn meerderjarige bloed- en aanverwanten in de eerste graad die in dezelfde woning als de gehuwde, de alleenstaande of de alleenstaande ouder hun hoofdverblijf hebben, op verzoek aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij vanaf de dag gelegen zes maanden na de dag van inwerkingtreding van die wet van invloed kunnen zijn op hun arbeidsinschakeling of het recht op bijstand van de meerderjarige bloed- en aanverwanten in de eerste graad die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben.

  4. De meerderjarige bloed- en aanverwanten in de eerste graad, bedoeld in het derde lid, zijn verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

  5. Dit artikel vervalt zes maanden na zijn inwerkingtreding.

01-07-2026 Huidig 03-04-2026 Historisch 04-02-2026 Historisch 01-01-2026 Historisch 01-07-2025 Historisch 04-02-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 01-07-2024 Historisch 01-01-2024 Historisch 07-10-2023 Historisch 01-10-2023 Historisch 01-07-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 26-08-2022 Historisch 01-08-2022 Historisch 01-07-2022 Historisch 01-04-2022 Historisch 15-03-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 21-12-2021 Historisch 15-11-2021 Historisch 01-10-2021 Historisch 01-07-2021 Historisch 01-01-2021 Historisch 17-12-2020 Historisch 01-11-2020 Historisch 01-10-2020 Historisch 01-07-2020 Historisch 01-04-2020 Historisch 01-03-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch 18-12-2019 Historisch 01-07-2019 Historisch 01-01-2019 Historisch 23-11-2018 Historisch 28-07-2018 Historisch 01-07-2018 Historisch 25-05-2018 Historisch 01-01-2018 Historisch 16-12-2017 Historisch 01-10-2017 Historisch 01-09-2017 Historisch 01-07-2017 Historisch 12-12-2013 Historisch 01-07-2013 Historisch 01-01-2013 Historisch 18-07-2012 Historisch 01-07-2012 Historisch 01-04-2012 Historisch 01-01-2012 Historisch
Voor dit artikel is deze tekst gewijzigd in 01-07-2012.

Tekst van deze versie

  1. Op de persoon die op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650) recht heeft op algemene bijstand of een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren,:

    1. zijn de artikelen 3, 4, 5, onderdeel e, 9, derde lid, 11, vierde lid, 18, vierde lid, 19, eerste lid, aanhef, 23, eerste lid, onderdeel b, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, 24, 31, eerste lid en tweede lid, onderdeel h, 32, derde en vierde lid, 33, vijfde lid, 34, eerste lid, onderdeel a, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel c, 35, eerste lid, 43, tweede en derde lid, 45, derde lid, aanhef, vierde en vijfde lid, 47a, eerste lid, onderdeel b, 47c, vijfde lid, 50, eerste lid, 59, eerste lid, en 78m, zoals die luidden op die dag, van toepassing;

    2. blijven de artikelen 21, tweede lid, onderdeel c, en 32, vijfde lid, buiten toepassing;

    tot het tijdstip waarop het recht op die algemene bijstand, respectievelijk de als gevolg van artikel 78t ontstane algemene bijstand, eindigt doch niet langer dan zes maanden na die datum van inwerkingtreding.

  2. Ten aanzien van de persoon, bedoeld in het eerste lid, wordt tot het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, in de artikelen 21 en 22 voor «een gezin» telkens gelezen «gehuwden» en wordt voor «meerderjarige gezinsleden» telkens gelezen: echtgenoten.

  3. Indien de gehuwde, de alleenstaande of de alleenstaande ouder op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650) recht op algemene bijstand of een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren heeft, doen zijn meerderjarige bloed- en aanverwanten in de eerste graad die in dezelfde woning als de gehuwde, de alleenstaande of de alleenstaande ouder hun hoofdverblijf hebben, op verzoek aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij vanaf de dag gelegen zes maanden na de dag van inwerkingtreding van die wet van invloed kunnen zijn op hun arbeidsinschakeling of het recht op bijstand van de meerderjarige bloed- en aanverwanten in de eerste graad die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben.

  4. De meerderjarige bloed- en aanverwanten in de eerste graad, bedoeld in het derde lid, zijn verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

  5. Dit artikel vervalt zes maanden na zijn inwerkingtreding.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Participatiewet