1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitrit aan te leggen naar de weg of een bestaande uitrit te veranderen.

  2. De omgevingsvergunning wordt alleen geweigerd als:

    1. de weg onaanvaardbaar wordt beschadigd;

    2. ondergrondse structuren, verkeers- of straatmeubilair een belemmering vormen;

    3. door de uitrit een verkeersonveilige situatie kan ontstaan;

    4. het openbaar groen door de uitrit op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;

    5. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    6. het perceel al door een andere uitrit wordt ontsloten;

    7. deze in strijd is met het vigerende omgevingsplan.

  3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.