1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten pleegt of de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren door baldadig of hinderlijk gedrag of anderszins personen lastig te vallen of schade toe te brengen, een tijdelijk verbod opleggen om aanwezig te zijn in een door de burgemeester bij besluit bepaalde delen van de gemeente, gedurende de tijd, bij het besluit genoemd.

  2. Het is verboden zich op een plaats of in een gebied te bevinden in strijd met een krachtens het eerste lid gegeven besluit.

  3. Het besluit geldt niet voor zover de persoon tot wie het besluit is gericht:

    1. blijkens opgave in het persoonsregister van de gemeente in het bij besluit bepaalde deel van de gemeente woonachtig is, tenzij bij het betreffende besluit een beperkt deel van een etmaal is aangewezen en de burgemeester in het betreffende besluit hierover een specifieke motivering heeft opgenomen; het verplaatsen van en naar de woning valt niet onder het besluit;

    2. aannemelijk maakt dat hij in het bij besluit bepaalde deel van de gemeente werkzaam is gedurende de tijden zoals in het besluit genoemd;

    3. zich in een middel van openbaar vervoer bevindt of;

    4. anderszins aannemelijk maakt dat hij een zwaarwegend belang heeft zich in het bij besluit bepaalde deel van de gemeente op te houden.

  4. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste lid.