1. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar hij aan personen een verblijfsontzegging kan opleggen.

  2. De burgemeester gaat alleen over tot aanwijzing van een gebied als bedoeld in het eerste lid, indien naar zijn oordeel sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde, dan wel van dreiging van ernstige verstoring van de openbare orde.

  3. De burgemeester kan een verblijfsontzegging opleggen aan personen die in het aangewezen gebied de openbare orde verstoren door:

    1. te handelen in strijd met het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:26, 2:47, 2:48, 2:49, 2:74 van deze verordening;

    2. het bezit, de handel of het gebruik van de in de Opiumwet verboden middelen;

    3. het bezit van wapens, messen en andere voorwerpen die als steek- of slagwapen kunnen worden gebruikt;

    4. diefstal, inbraak, heling, vernieling of andere vermogensdelicten;

    5. geweldpleging en/ of bedreiging.

  4. De burgemeester bepaalt in de verblijfsontzegging de termijn waarvoor deze geldt.

  5. Indien de persoon aan wie het besluit tot verblijfsontzegging wordt opgelegd, woont of werkt in het gebied waarvoor de ontzegging geldt, wordt dat gebied zodanig aangepast dat die persoon een aanlooproute heeft van en naar zijn woning of werklocatie.

  6. De burgemeester kan indien de belanghebbende een aantoonbaar belang heeft om zich binnen het aangewezen gebied te begeven, de verblijfsontzegging naar tijd en plaats beperken.

  7. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegde verblijfsontzegging.