Algemene Plaatselijke Verordening Katwijk 2014 BETA Foutje gevonden?

Inhoud

Afdeling

Bewaren van houtopstanden

Artikel 4:10

Definities

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;

    2. boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 15 cm op 130 cm boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam; in afwijking van vorenstaande geldt, indien het een boom in privaat bezit betreft, een dwarsdoorsnede van minimaal 30 cm.

    3. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

    4. dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand;

    5. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder a van de Wet natuurbescherming;

    6. iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);

    7. iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus.

    8. haagbeplanting: aaneengesloten beplanting in een specifieke vorm geschoren, niet hoger dan 3,5 m vanaf het maaiveld.

  2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Artikel 4:11

Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen.

  2. Het verbod geldt niet als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.

  3. Het verbod geldt niet voor:

    1. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit niet-geknotte populieren of wilgen;

    2. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;

    3. fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

    4. kweekgoed;

    5. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld;

    6. houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die: ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are; ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totaal aantal rijen;

    7. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantengezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag;

    8. houtopstand bestaande uit de conifeer cupresocyparis leylandii;

    9. haagbeplanting.

  4. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

Artikel 4:11a

Aanvraag vergunning

  1. De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

  2. Als de Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) aan het bevoegd gezag een afschrift heeft gezonden van de melding als bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving, beschouwt het bevoegd gezag dit afschrift mede als een vergunningaanvraag.

Artikel 4:12

Weigeringsgronden

Onverminderd het gestelde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd op grond van:

  1. registratie door het bevoegd gezag als waardevolle of monumentale boom;

  2. de houtopstand is onderdeel van de hoofdgroenstructuur.

  3. de natuurwaarde van de houtopstand;

  4. de landschappelijke en beeldbepalende waarde van de houtopstand;

  5. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

  6. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

  7. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand

Artikel 4:12a

Bestrijding iepziekte

  1. Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:

    1. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;

    2. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;

    3. of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

  2. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm, voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren.

Artikel 4:12b

Afstand van de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Katwijk 2014