Algemene plaatselijke verordening gemeente Son en Breugel 2024 BETA Foutje gevonden?

Inhoud

HOOFDSTUK

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1

Definities

In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:

  • bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet, bij hun besluit van 6 juni 1997;

  • beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

  • bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;

  • bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

  • bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;

  • college: het college van burgemeester en wethouders;

  • gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

  • motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

  • openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;

  • parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;

  • voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;

  • weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 1.2

Beslistermijn

  1. Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

  2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.

  3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid.

  4. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

Artikel 1.4

Voorschriften en beperkingen

  1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1.5

Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

  1. De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1.6

Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

  1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:

  2. ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  3. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

  4. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  5. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

  6. de houder dit verzoekt.

  7. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1.7

Vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd

  1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

  2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1.8

Weigeringsgronden

  1. De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden geweigerd in het belang van:

  2. de openbare orde;

  3. de veiligheid;

  4. de volksgezondheid;

  5. de bescherming van het (leef) milieu.

  6. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 1.9

Experimenteerartikel

  1. In dit artikel wordt verstaan onder experiment: tijdelijk afwijken van een of meer bepalingen in deze verordening met het oog op het verzamelen van gegevens om te beoordelen of de afwijking permanent of algemeen kan worden gemaakt.

  2. Het college of de burgemeester kunnen, ieder voor zover het een aan hen in deze verordening gegeven bevoegdheid betreft, besluiten tot het houden van een experiment.

  3. Het college of de burgemeester kan niet bij wijze van experiment afwijken van de volgende onderdelen van deze verordening:

  4. de hoofdstukken 1, 3, 4 en 6; en

  5. de afdelingen 1, 2, 10, 10A, 11 en 14 tot en met 16 van hoofdstuk 2.

  6. In het besluit, zoals genoemd in het tweede lid, wordt in ieder geval opgenomen:

  7. het doel van het experiment;

  8. de tijdsduur van het experiment;

  9. van welke regels wordt afgeweken;

  10. voor welk gebied het experiment geldt; en

  11. de voorwaarden die het college of de burgemeester verbindt aan het experiment.

  12. De raad wordt uiterlijk vier weken voor aanvang van het experiment door het college of de burgemeester geïnformeerd over het experiment.

  13. Een experiment heeft een looptijd van ten hoogste een jaar.

  14. Het experiment wordt geëvalueerd. Als de evaluatie van een experiment aanleiding geeft tot het aanpassen van deze verordening, kan het college of de burgemeester besluiten, in afwijking van het zesde lid, het experiment met ten hoogste een jaar te verlengen met het oog op het aanpassen van de verordening.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening gemeente Son en Breugel 2024