Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Inhoud

Artikel 17

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-10-2014.
  1. Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan het alcoholslotprogramma indien:

    1. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰, maar lager is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;

    2. bij betrokkene, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰, maar lager is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;

    3. betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

    4. ten aanzien van betrokkene binnen een periode van vijf jaar tenminste drie maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van die verdenkingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, dan wel 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰ indien een van de feiten is begaan als beginnende bestuurder, of waarbij hij ten minste eenmaal heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in dat artikel;

    5. betrokkene op grond van artikel 8, onderdelen a, d of h, niet in aanmerking komt voor een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer;

    6. betrokkene op grond van artikel 12, onderdelen a, c of g, niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel alcohol en verkeer, of

    7. de uitslag van het ingevolge artikel 23, eerste lid, opgelegde onderzoek geen aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, tenzij oplegging van dit onderzoek heeft plaatsgevonden op grond van artikel 23, eerste lid, onderdelen b, onder I, of c, onder I.

  2. In afwijking van artikel 18, eerste lid, onderdeel b, komt betrokkene in aanmerking voor oplegging van het alcoholslotprogramma indien:

    1. hem in de afgelopen vijf jaar op grond van artikel 7 deelname aan een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer is opgelegd, maar hij op grond van artikel 23, eerste lid, onderdeel b, onder I, een onderzoek naar de geschiktheid heeft ondergaan;

    2. hem in de afgelopen vijf jaar op grond van artikel 11 deelname aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer is opgelegd, maar hij op grond van artikel 23, eerste lid, onderdeel c, onder I, een onderzoek naar de geschiktheid heeft ondergaan.

01-04-2023 Huidig 01-07-2020 Historisch 01-02-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch 01-05-2018 Historisch 15-03-2018 Historisch 01-01-2018 Historisch 01-07-2017 Historisch 01-01-2017 Historisch 01-01-2016 Historisch 01-10-2015 Historisch 01-07-2015 Historisch 10-04-2015 Historisch 01-01-2015 Historisch 01-10-2014 Historisch 24-04-2014 Historisch 01-01-2014 Historisch 01-01-2013 Historisch 01-10-2012 Historisch 29-08-2012 Historisch 06-06-2012 Historisch 01-12-2011 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 24-04-2014.

Tekst van deze versie

  1. Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan het alcoholslotprogramma indien:

    1. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰, maar lager is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;

    2. bij betrokkene, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰, maar lager is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;

    3. betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

    4. ten aanzien van betrokkene binnen een periode van vijf jaar tenminste drie maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van die verdenkingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, dan wel 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰ indien een van de feiten is begaan als beginnende bestuurder, of waarbij hij ten minste eenmaal heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in dat artikel;

    5. betrokkene op grond van artikel 8, onderdelen a, d of h, niet in aanmerking komt voor een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer;

    6. betrokkene op grond van artikel 12, onderdelen a, c of g, niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel alcohol en verkeer, of

    7. de uitslag van het ingevolge artikel 23, eerste lid, opgelegde onderzoek geen aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, tenzij oplegging van dit onderzoek heeft plaatsgevonden op grond van artikel 23, eerste lid, onderdelen b, onder I, of c, onder I.

  2. In afwijking van artikel 18, eerste lid, onderdeel b, komt betrokkene in aanmerking voor oplegging van het alcoholslotprogramma indien:

    1. hem in de afgelopen vijf jaar op grond van artikel 7 deelname aan een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer is opgelegd, maar hij op grond van artikel 23, eerste lid, onderdeel b, onder I, een onderzoek naar de geschiktheid heeft ondergaan;

    2. hem in de afgelopen vijf jaar op grond van artikel 11 deelname aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer is opgelegd, maar hij op grond van artikel 23, eerste lid, onderdeel c, onder I, een onderzoek naar de geschiktheid heeft ondergaan.

1 verwijzing(en)
Hoge Raad | 03-03-2015 | 22-03-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011