Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Inhoud

Artikel 23

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-10-2012.
  1. Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien:

    1. bij betrokkene, al dan niet in hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;

    2. betrokkene niet in aanmerking komt voor een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer op grond van:

      1. I

        artikel 8, onderdeel b,

      2. II,

        artikel 8, onderdeel e,

      3. III

        artikel 8, onderdeel f,

      4. IV

        artikel 8, onderdeel g of

      5. V

        artikel 8, onderdeel i;

    1. betrokkene niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel alcohol en verkeer op grond van:

      1. I

        artikel 12, onderdeel b,

      2. II,

        artikel 12, onderdeel d,

      3. III

        artikel 12, onderdeel e,

      4. IV

        artikel 12, onderdeel f of

      5. V

        artikel 12, onderdeel h;

    1. betrokkene op grond van artikel 18 niet in aanmerking komt voor een alcoholslotprogramma, tenzij artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van toepassing is.

  2. Het CBR besluit voorts dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid, meer in het bijzonder het rijgedrag, indien betrokkene op grond van artikel 15, onderdeel d, niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel gedrag en verkeer.

  3. Het CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid:

    1. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, anders dan die vermeld onder A, onderdeel III, Rijgedrag, of onder B, onderdeel III, Drogerende stoffen ‘Alcohol’, alsmede

    2. indien betrokkene op grond van artikel 15, onderdelen a, b, c, e, f of g, niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel gedrag en verkeer.

  4. Indien de mededeling, bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet is gedaan op basis van feiten en omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, vermeld onder A, onderdeel IV, Herhaaldelijk niet of niet op de juiste wijze naleven van essentiële verkeersregels dan wel verkeerstekens, kan het CBR besluiten af te zien van het opleggen van een onderzoek, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

01-04-2023 Huidig 01-07-2020 Historisch 01-02-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch 01-05-2018 Historisch 15-03-2018 Historisch 01-01-2018 Historisch 01-07-2017 Historisch 01-01-2017 Historisch 01-01-2016 Historisch 01-10-2015 Historisch 01-07-2015 Historisch 10-04-2015 Historisch 01-01-2015 Historisch 01-10-2014 Historisch 24-04-2014 Historisch 01-01-2014 Historisch 01-01-2013 Historisch 01-10-2012 Historisch 29-08-2012 Historisch 06-06-2012 Historisch 01-12-2011 Historisch

Vergelijking met vorige versie

Vergeleken met 29-08-2012

Tekst van deze versie

  1. Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien:

    1. bij betrokkene, al dan niet in hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;

    2. betrokkene niet in aanmerking komt voor een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer op grond van:

      1. I

        artikel 8, onderdeel b,

      2. II,

        artikel 8, onderdeel e,

      3. III

        artikel 8, onderdeel f,

      4. IV

        artikel 8, onderdeel g of

      5. V

        artikel 8, onderdeel i;

    1. betrokkene niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel alcohol en verkeer op grond van:

      1. I

        artikel 12, onderdeel b,

      2. II,

        artikel 12, onderdeel d,

      3. III

        artikel 12, onderdeel e,

      4. IV

        artikel 12, onderdeel f of

      5. V

        artikel 12, onderdeel h;

    1. betrokkene op grond van artikel 18 niet in aanmerking komt voor een alcoholslotprogramma.alcoholslotprogramma, tenzij artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van toepassing is.
  2. Het CBR besluit voorts dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid, meer in het bijzonder het rijgedrag, indien betrokkene op grond van artikel 15, onderdeel d, niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel gedrag en verkeer.

  3. Het CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid:

    1. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, anders dan die vermeld onder A, onderdeel III, Rijgedrag, of onder B, onderdeel III, Drogerende stoffen ‘Alcohol’, alsmede

    2. indien betrokkene op grond van artikel 15, onderdelen a, b, c, e, f of g, niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel gedrag en verkeer.

  4. Indien de mededeling, bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet is gedaan op basis van feiten en omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, vermeld onder A, onderdeel IV, Herhaaldelijk niet of niet op de juiste wijze naleven van essentiële verkeersregels dan wel verkeerstekens, kan het CBR besluiten af te zien van het opleggen van een onderzoek, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011