Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Inhoud

Artikel 5 (Gronden overgifte rijbewijs)

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-10-2012.
  1. Een vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in de volgende gevallen:

    1. betrokkene heeft een motorrijtuig bestuurd onder invloed van drogerende stoffen, andere dan alcohol;

    2. betrokkene heeft een poging tot zelfdoding met een motorrijtuig ondernomen;

    3. er zijn duidelijke aanwijzingen dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige;

    4. betrokkene heeft met een motorrijtuig tegen de rijrichting in gereden (spookrijden);

    5. betrokkene heeft binnen een periode van een jaar ten minste drie aanrijdingen veroorzaakt;

    6. betrokkene is als bestuurder van een motorrijtuig rechtstreeks betrokken bij een aanrijding met duidelijke materiële dan wel letselschade en verklaart de aanrijding niet te hebben bemerkt;

    7. betrokkene is niet in staat het motorrijtuig in bedwang te houden;

    8. betrokkene heeft een aanrijding veroorzaakt door het intrappen van het onjuiste pedaal of door het niet intrappen van het juiste pedaal;

    9. betrokkene is bewust ingereden op een andere weggebruiker;

    10. bij betrokkene wordt als bestuurder van een motorrijtuig een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰;

    11. bij betrokkene wordt, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰;

    12. betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de wet, tenzij de constatering heeft plaatsgevonden ten aanzien van een bestuurder van een motorrijtuig van de categorie AM;

    13. ten aanzien van betrokkene is binnen een periode van vijf jaar ten minste vier maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij de laatste overtreding moet zijn begaan als houder van een rijbewijs;

    14. betrokkene heeft drie maal als beginnende bestuurder een of meer van de in bijlage 1, onderdeel IV, opgenomen feiten begaan en voor deze feiten is hij tijdens of na de in artikel 1, onder beginnende bestuurder, genoemde termijn onherroepelijk veroordeeld, dan wel is voor deze feiten tijdens of na die termijn ten aanzien van hem een onherroepelijke strafbeschikking uitgevaardigd;

    15. ten aanzien van betrokkene is tijdens de duur van het alcoholslotprogramma proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, derde juncto vierde lid, van de wet of artikel 9, negende lid, van de wet;

    16. betrokkene, die voor zijn achttiende verjaardag in het kader van begeleid rijden een rijbewijs voor de categorie B heeft behaald, heeft in de periode tot zijn achttiende verjaardag een motorrijtuig bestuurd zonder een op de begeleiderspas geregistreerde begeleider, dan wel met een begeleider van wie hij weet dat deze onder zodanige invloed verkeert van een stof, waarvan het gebruik - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat deze niet tot behoorlijk begeleiden in staat moet worden geacht.

  2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, vindt geen vordering tot overgifte plaats, indien de constatering heeft plaatsgevonden ten aanzien van een bestuurder van een motorrijtuig van de categorie AM en het een adem- of bloedalcoholgehalte betreft dat gelijk is aan dan wel hoger is dan 570 µg/l respectievelijk 1,3‰, maar lager dan 785 µg/l respectievelijk 1,8‰.

  3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel k, vindt geen vordering tot overgifte plaats, indien de constatering heeft plaatsgevonden ten aanzien van een bestuurder van een motorrijtuig van de categorie AM en het een adem- of bloedalcoholgehalte betreft dat gelijk is aan dan wel hoger is dan 435 µg/l respectievelijk 1,0‰, maar lager dan 785 µg/l respectievelijk 1,8‰.

01-04-2023 Huidig 01-07-2020 Historisch 01-02-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch 01-05-2018 Historisch 15-03-2018 Historisch 01-01-2018 Historisch 01-07-2017 Historisch 01-01-2017 Historisch 01-01-2016 Historisch 01-10-2015 Historisch 01-07-2015 Historisch 10-04-2015 Historisch 01-01-2015 Historisch 01-10-2014 Historisch 24-04-2014 Historisch 01-01-2014 Historisch 01-01-2013 Historisch 01-10-2012 Historisch 29-08-2012 Historisch 06-06-2012 Historisch 01-12-2011 Historisch 01-11-2011 Historisch

Vergelijking met vorige versie

Vergeleken met 06-06-2012

Tekst van deze versie

  1. Een vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in de volgende gevallen:

    1. betrokkene heeft een motorrijtuig bestuurd onder invloed van drogerende stoffen, andere dan alcohol;

    2. betrokkene heeft een poging tot zelfdoding met een motorrijtuig ondernomen;

    3. er zijn duidelijke aanwijzingen dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige;

    4. betrokkene heeft met een motorrijtuig tegen de rijrichting in gereden (spookrijden);

    5. betrokkene heeft binnen een periode van een jaar ten minste drie aanrijdingen veroorzaakt;

    6. betrokkene is als bestuurder van een motorrijtuig rechtstreeks betrokken bij een aanrijding met duidelijke materiële dan wel letselschade en verklaart de aanrijding niet te hebben bemerkt;

    7. betrokkene is niet in staat het motorrijtuig in bedwang te houden;

    8. betrokkene heeft een aanrijding veroorzaakt door het intrappen van het onjuiste pedaal of door het niet intrappen van het juiste pedaal;

    9. betrokkene is bewust ingereden op een andere weggebruiker;

    10. bij betrokkene wordt als bestuurder van een motorrijtuig een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰;

    11. bij betrokkene wordt, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰;

    12. betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de wet;wet, tenzij de constatering heeft plaatsgevonden ten aanzien van een bestuurder van een motorrijtuig van de categorie AM;
    13. ten aanzien van betrokkene is binnen een periode van vijf jaar ten minste vier maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij de laatste overtreding moet zijn begaan als houder van een rijbewijs;

    14. betrokkene heeft drie maal als beginnende bestuurder een of meer van de in bijlage 1, onderdeel IV, opgenomen feiten begaan en voor deze feiten is hij tijdens of na de in artikel 1, onder beginnende bestuurder, genoemde termijn onherroepelijk veroordeeld, dan wel is voor deze feiten tijdens of na die termijn ten aanzien van hem een onherroepelijke strafbeschikking uitgevaardigd;

    15. ten aanzien van betrokkene is tijdens de duur van het alcoholslotprogramma proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, derde juncto vierde lid, van de wet of artikel 9, negende lid, van de wet;

    16. betrokkene, die voor zijn achttiende verjaardag in het kader van begeleid rijden een rijbewijs voor de categorie B heeft behaald, heeft in de periode tot zijn achttiende verjaardag een motorrijtuig bestuurd zonder een op de begeleiderspas geregistreerde begeleider, dan wel met een begeleider van wie hij weet dat deze onder zodanige invloed verkeert van een stof, waarvan het gebruik - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat deze niet tot behoorlijk begeleiden in staat moet worden geacht.

  2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, vindt geen vordering tot overgifte plaats, indien de constatering heeft plaatsgevonden ten aanzien van een bestuurder van een motorrijtuig van de categorie AM en het een adem- of bloedalcoholgehalte betreft dat gelijk is aan dan wel hoger is dan 570 µg/l respectievelijk 1,3‰, maar lager dan 785 µg/l respectievelijk 1,8‰.
  3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel k, vindt geen vordering tot overgifte plaats, indien de constatering heeft plaatsgevonden ten aanzien van een bestuurder van een motorrijtuig van de categorie AM en het een adem- of bloedalcoholgehalte betreft dat gelijk is aan dan wel hoger is dan 435 µg/l respectievelijk 1,0‰, maar lager dan 785 µg/l respectievelijk 1,8‰.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011