Op grond van artikel 218 Sv kan degene die uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding is verplicht, zich op zijn verschoningsrecht beroepen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hem als zodanig is toevertrouwd. De grondslag van dit professionele verschoningsrecht is het in Nederland geldende algemene rechtsbeginsel dat bij dergelijke geheimhouders het maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, in beginsel moet wijken voor het maatschappelijke belang dat eenieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden.

Het professionele verschoningsrecht komt slechts toe aan een beperkte groep van personen, zoals advocaten, notarissen, geestelijken en artsen, die uit hoofde van de aard van hun maatschappelijke functie verplicht zijn tot geheimhouding van al hetgeen aan hen in hun hoedanigheid wordt toevertrouwd. Het verschoningsrecht van deze personen strekt zich uit tot de wetenschap die zij hebben verkregen in de uitoefening van hun beroep. Dat betekent dat (bijvoorbeeld) een advocaat alleen een verschoningsrecht toekomt in het kader van zijn juridische dienstverlening aan een rechtzoekende die zich tot hem heeft gewend vanwege zijn hoedanigheid van advocaat. De plicht tot geheimhouding van een professioneel verschoningsgerechtigde geldt niet alleen voor de geheimhouder, maar ook voor het bij de geheimhouder werkzame personeel, dat een afgeleid verschoningsrecht toekomt.

Het Openbaar Ministerie (OM) is verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarbij wordt samengewerkt met de onder het gezag van het OM opererende opsporingsinstanties. De officier van justitie heeft het gezag over het opsporingsonderzoek1Artikel 132a Sv en artikel 3 Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.. Bij de inzet van opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen kan de opsporing of het OM in aanraking komen met stukken of gegevens die mogelijk onder het verschoningsrecht van (een) geheimhouder(s) vallen.

Deze aanwijzing schetst in hoofdlijnen het juridisch kader voor de omgang met verschoningsgerechtigd materiaal en beschrijft de uitgangspunten die door het OM en de onder het gezag van het OM opererende opsporingsinstanties in dat verband in acht worden genomen.

Hoofdregel is dat het OM en de onder het OM opererende opsporingsinstanties geen kennis nemen van gegevens die onder het verschoningsrecht vallen. Kennisneming van gegevens die onder het verschoningsrecht vallen is voorbehouden aan de rechter-commissaris. Een filtering van gegevens waarbij kennis moet worden genomen van (mogelijk) verschoningsgerechtigd materiaal, moet plaatsvinden onder regie van de rechter-commissaris. Is een adequate filtering mogelijk zonder kennisneming van (mogelijk) verschoningsgerechtigd materiaal, dan kan die filtering ook plaatsvinden in opdracht van de officier van justitie.