Algemene wet inzake rijksbelastingen

Inhoud

Artikel 67fa

Actueel
Je bekijkt de huidige officiële versie van 11-04-2026.
Deze versie geldt vanaf 11-04-2026.
  1. Indien het aan opzet of grove schuld van de rapporterende platformexploitant of de rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten, bedoeld in artikel 53bis, onderscheidenlijk artikel 53ter, is te wijten dat de verplichtingen die volgen uit artikel 53bis onderscheidenlijk artikel 53ter, niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig zijn of worden nagekomen, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur aan hem een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste het bedrag van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  2. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete, bedoeld in het eerste lid, vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de verplichting, bedoeld in het eerste lid, is ontstaan.

11-04-2026 Huidig 01-01-2026 Historisch 31-12-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 01-01-2024 Historisch 31-12-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 01-10-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 01-10-2021 Historisch 01-07-2021 Historisch 07-05-2021 Historisch 01-01-2021 Historisch 01-10-2020 Historisch 01-07-2020 Historisch 23-06-2020 Historisch 01-06-2020 Historisch 15-04-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-01-2026.

Tekst van deze versie

  1. Indien het aan opzet of grove schuld van de rapporterende platformexploitant of de rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten, bedoeld in artikel 53bis, onderscheidenlijk artikel 53ter, is te wijten dat de verplichtingen die volgen uit artikel 53bis onderscheidenlijk artikel 53ter, niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig zijn of worden nagekomen, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur aan hem een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste het bedrag van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  2. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete, bedoeld in het eerste lid, vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de verplichting, bedoeld in het eerste lid, is ontstaan.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Algemene wet inzake rijksbelastingen