Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem BETA Foutje gevonden?

Inhoud

Paragraaf

Toezicht op speelgelegenheden

Artikel 2.3.3.1

Speelgelegenheden

  1. Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

  2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op:

    1. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend;

    2. speelgelegenheden waarvoor de Minister van Veiligheid en Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen;

    3. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.

  3. De burgemeester weigert de vergunning:

    1. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid;

    2. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.

  4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.

Artikel 2.3.3.2

Kansspelen

Het is verboden op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats buitenshuis gelegenheid te geven tot of deel te nemen aan enig spel om geld of geldwaarde.

Artikel 2.3.3.3

Speelautomaten in openbare inrichting

  1. Dit artikel verstaat onder:

    1. Speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet op de kansspelen;

    2. Hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet op de kansspelen;

    3. Laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet op de kansspelen.

  2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee speelautomaten toegestaan.

  3. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem