Algemene plaatselijke verordening 2026 BETA Foutje gevonden?

Inhoud

Afdeling

Het bewaren van houtopstanden

Artikel 4:10

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. houtopstand: één (of meerdere) houtig, opgaand gewas, zowel levend als afgestorven met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam.

  2. beschermde houtopstand: een houtopstand die is vastgelegd op de Groene Kaart.

  3. Groene Kaart: kaart met daarop aangegeven de beschermde houtopstanden.

  4. dunning: velling, welke uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd

  5. vellen, rooien, kappen, verplanten of het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben;

  6. rooien: het geheel verwijderen van het boven- en ondergrondse deel van de houtopstand;

  7. kappen: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand;

  8. kandelaberen: het terugsnoeien van de kroon tot een hoofdstam met takstompen;

  9. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming;

  10. bomen effect analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting.

Artikel 4:10a

Groene kaart

  1. Het bevoegd gezag heeft de Groene Kaart vastgesteld. De kaart bevat beschermwaardige bomen (waardevolle bomen en bomen in de hoofdstructuur).

  2. De kaart bevat minimaal een visualisatie van de houtopstanden.

  3. De eigenaar van een beschermde houtopstand is verplicht het bevoegd gezag onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen van:

    1. het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van een beschermde houtopstand, anders dan door velling op grond van een verleende beschikking.

    2. de dreiging dat de beschermde houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan.

Artikel 4:10b

Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beschermde houtopstand te vellen of te doen vellen.

  2. Het verbod geldt niet voor:

    1. een beschermde houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantengezondheidswet;

    2. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    3. het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    4. dode bomen;

    5. gemeentelijke bomen met een veiligheidsrisico.

Artikel 4:10c

Aanvraag/procedure

  1. Een omgevingsvergunning wordt aangevraagd door of namens degene die krachtens zakelijk recht of publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de beschermde houtopstand te beschikken.

  2. Een omgevingsvergunning wordt gemotiveerd aangevraagd met verwijzing naar de redengevende beschrijving van de beschermde houtopstand op de Groene Kaart.

Artikel 4:11

Criteria

  1. Het bevoegd gezag kan de aanvraag voor een omgevingsvergunning om te vellen weigeren dan wel onder voorschriften verlenen.

  2. Een omgevingsvergunning voor het vellen van een beschermde houtopstand kan worden verleend als:

    1. een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang niet opweegt tegen duurzaam behoud van de beschermde houtopstand;

    2. naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade;

    3. noodzakelijk infrastructureel werk uitgevoerd moet worden op de locatie van de beschermde houtopstand;

    4. sprake is van dunning;

    5. groentechnisch renovatieplan werkzaamheden worden verricht ter verjonging en verbetering van de betreffende boomstructuur;

    6. sprake is van een noodtoestand of andere uitzonderlijke situaties;

    7. sprake is van zwaarwegende overlast.

  3. Het bevoegd gezag kan de eigenaar van de houtopstand verplichten tot direct vellen, als sprake is van acuut gevaar of vergelijkbaar spoedeisend belang.

Artikel 4:11a

Intrekking of wijziging

  1. De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd:

    1. als onjuiste of onvolledige gegevens ter verkrijging van de omgevingsvergunning zijn verstrekt;

    2. als het, na het verlenen van de omgevingsvergunning, op grond van verandering van inzichten of omstandigheden na verlening, wijziging of intrekking, noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de omgevingsvergunning is vereist;

    3. als van de omgevingsvergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of als deze termijn ontbreekt, binnen een redelijke termijn.

Artikel 4:11b

Bijzondere voorschriften

  1. Tot aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.

  2. In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt telkens bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  3. Tot aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren tot het opstellen en overleggen van een Bomen Effect Analyse, in geval van bouw of aanleg van werken nabij te behouden bomen.

Artikel 4:12

Herplant-/instandhoudingsplicht

  1. Als een beschermde houtopstand, waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag is geveld dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de beschermde houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.

  2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  3. Als een beschermde houtopstand, waarop het verbod tot vellen van toepassing is, in het voortbestaan ernstig worden bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de beschermde houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om:

    1. overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen;

    2. een bomen effect analyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag.

Artikel 4:12a

Bestrijding van boomziekten

  1. Als zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van burgemeester en wethouders gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, als hij daartoe door burgemeester en wethouders is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:

    1. de boom te vellen;

    2. conform richtlijnen van de gemeente de gevelde boom direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

  2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, als het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening 2026