Algemene Plaatselijke Verordening 2026 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 15-06-2026, laatste wijziging 08-06-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betoging
Afdeling Verspreiden van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen e.d. op de weg
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Afdeling Veiligheid op de weg
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Regulering para commerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden en speelautomatenhallen
Afdeling Toezicht op winkelbedrijven
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade.
Afdeling Bestrijding van heling van goederen
Afdeling Consumentenvuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Regulering sekswerk, seksbranche en aanverwante onderwerpen.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Openbare orde

Artikel 2:1

Samenscholing en ongeregeldheden

  1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

  2. Degene die op een openbare plaats

    1. aanwezig is bij een voorval, waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

    2. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

    3. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;

    is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  3. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

  4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

  5. Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

  6. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 2:3

Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  2. De kennisgeving bevat:

    1. naam en adres van degene die de betoging houdt;

    2. het doel van de betoging;

    3. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    4. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    5. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en

    6. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld;

  4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag;

  5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.

Artikel 2:6

Verspreiden van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

  1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.

  2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel 2:9

Vertoningen op openbare plaatsen

  1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen.

  2. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel 2:10

Vervallen en opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving

Artikel 2:10a

Vervallen en opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving

Artikel 2:10b

Vervallen en opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving

Artikel 2:11

Vervallen en opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving

Artikel 2:12

Vervallen en opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving

Artikel 2:14

Winkelwagentjes

  1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht deze:

    1. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en

    2. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf.

  2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten;

  3. Het in het eerste lid onder b bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 2:15

Vervallen en opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving

Artikel 2:16

Openen straatkolken e.d.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is, verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:17

Kelderingangen e.d.

  1. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren;

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:18

Rookverbod in bossen en natuurterreinen

  1. Het is verboden in bossen of binnen een afstand van dertig meter daarvan:

    1. te roken gedurende een door het college aangewezen periode;

    2. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  2. De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

  3. De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2:21

Vervallen en opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving

Artikel 2:22

Vervallen en opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving

Artikel 2:23

Veiligheid op het ijs

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

  1. Het is verboden:

    1. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

    2. voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

Artikel 2.24

Begripsbepaling

  1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    1. bioscoopvoorstellingen- en theatervoorstellingen;

    2. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;

    3. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    4. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

    5. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    6. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van de Algemene plaatselijke verordening.

  2. Onder evenement wordt mede verstaan:

    1. een herdenkingsplechtigheid;

    2. een braderie;

    3. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van de Algemene plaatselijke verordening, op de weg;

    4. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

    5. een straatfeest of barbecue op één dag (klein evenement); als bedoeld in artikel 2:25, lid 4

    6. een wielertoertocht vanaf 101 deelnemers, waarbij onder wielertoertocht wordt verstaan: een wieleractiviteit waarbij de deelnemers met een fiets een bepaald parcours (moeten) afleggen dat openbaar is, waarbij deelnemers zich aan de verkeersregels dienen te houden; als bedoeld in het vastgesteld euregionale wielerbeleid 2024.

    7. een georganiseerde toertocht vanaf 50 gemotoriseerde voertuigen;

    8. vechtsportwedstrijden en/of vechtsportgala’s;

    9. pelotonstocht, waarbij onder pelotonstocht wordt verstaan: een recreatieve toertocht zonder wedstrijdelement, dat bestaat uit een groep wielrenners als peloton, onder begeleiding van motards en voorrijd en/of volgauto. Een peloton legt een route af waarbij op momenten het overige verkeer wordt tegengehouden door gecertificeerde verkeersregelaars en/of de geldende verkeersregels niet/beperkt worden gevolgd omwille van de veiligheid en/of overlast voor het overige wegverkeer. Als bedoeld in het vastgesteld euregionale wielerbeleid 2024.

    10. garage sale(klein evenement).

Artikel 2:25

Evenementenvergunning

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  2. In nadere regels kunnen categorieën evenementen, evenementenlocaties, maximaal toegestane geluidsniveau en een dagennorm worden vastgesteld. Er zijn A-, B- en C-evenementen en A- en B-locaties.

  3. Voor het aanvragen van een evenementenvergunning dient het digitale aanvraagsysteem Eventloket gebruikt te worden.

  4. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien:

    1. Het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 50 personen;

    2. Het evenement plaatsvindt tussen 10.00 en 24.00 uur;

    3. Het evenement niet meer dan 3 straten omvat;

    4. Geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 08.00 uur of na 22.00 uur (zo-do) en na 24.00 uur (vr-za), dan wel in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 70dB(a) en 85 dB(c) op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden;

    5. Het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;

    6. Slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m² per object;

    7. Er een organisator is.

  5. De burgemeester kan binnen 14 dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  6. Indien er tijdens een klein evenement ook alcohol, als bedoeld in de Alcoholwet, zal worden geschonken, dient hiervoor een ontheffing conform de Alcoholwet te worden aangevraagd.

  7. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor ééndaagse evenementen, indien het een wielertoertocht betreft van 101 tot en met 250 deelnemers. Voor deze evenementen geldt een meldingsplicht.

  8. De burgemeester kan nadere regels stellen ten aanzien van wielertoertochten en pelotonstochten.

  9. De burgemeester kan besluiten een meldingsplichtig evenement te verbieden indien de aanvraag in strijd is met het vigerende wielerbeleid. Deze aanvraag dient minimaal 6 weken voor het meldingsplichtige evenement te worden ingediend.

  10. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.

  11. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor ééndaagse evenementen, indien het een toertocht voor gemotoriseerde voertuigen betreft van 10 tot en met 49 voertuigen. Voor deze tochten geldt een meldingsplicht.

  12. De aanvraag voor een toertocht voor gemotoriseerde voertuigen dient minimaal 4 weken voor het meldingsplichtige evenement te worden ingediend. Indien binnen 2 weken na ontvangst van de melding geen tegenbericht is verzonden, kan het evenement zoals gemeld plaatsvinden.

  13. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 2:25a

Weigeringsgronden

De burgemeester kan de vergunning weigeren:

  1. Als de organisator van een evenement van slecht levensgedrag is;

  2. Indien het evenement gevaar oplevert voor de openbare orde, de gezondheid, de (brand)veiligheid of voor het ontstaan van wanordelijkheden;

  3. Indien een onevenredig groot aantal bezoekers te verwachten is;

  4. Het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de plaats waar het wordt gehouden;

  5. Indien de aanvraag in strijd is met het vigerende wielerbeleid;

  6. In het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Voordat hier toepassing aan wordt gegeven kan het bevoegde gezag het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die Wet vragen.

Artikel 2:25b

Termijn voor het indienen van een melding of aanvraag voor een evenementenvergunning

  1. In afwijking van artikel 1:8, lid 2 van de Algemeen plaatselijke Verordening, stelt de burgemeester de vergunningaanvraag voor een evenementenvergunning buiten behandeling indien:

    1. Een A-evenement niet ten minste 10 weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd;

    2. Een B-evenement niet ten minste 16 weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd;

    3. Een C-evenement niet ten minste 26 weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd;

    4. Voor een C-evenement geen vooraankondiging is ingediend door middel van het eventloket in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de vergunning wordt aangevraagd.

Artikel 2:26

Ordeverstoring

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Artikel 2:26a

Betaald voetbalwedstrijden

  1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    1. organisator: degene die een voetbalwedstrijd voor senioren organiseert waarbij ten minste één betaald voetbalorganisatie is betrokken;

    2. voetbalwedstrijd: een voetbalwedstrijd georganiseerd door een organisator als bedoeld onder a.

  2. De organisator van een wedstrijd is verplicht ten minste dertig dagen voor de vastgestelde speeldag daarvan schriftelijk kennisgeving te doen aan de burgemeester. In de door de burgemeester te bepalen bijzondere gevallen geldt een termijn van zeven dagen.

  3. Kennisgeving als bedoeld in het tweede lid bevat een opgave van het verwachte aantal toeschouwers en bevat een omschrijving van de wanordelijkheden welke redelijkerwijs kunnen worden tegemoet gezien.

  4. De kennisgeving kan meerdere wedstrijden betreffen.

  5. De burgemeester kan het spelen of het doen spelen van een voetbalwedstrijd, bedoeld in het eerste lid, verbieden:

    1. uit vrees voor het ontstaan van ernstige verstoring van de openbare orde;

    2. indien geen of niet tijdig schriftelijke kennisgeving als bedoeld in het tweede lid is gedaan.

  6. Het is verboden een voetbalwedstrijd te spelen of te doen spelen wanneer een verbod als bedoeld in het vijfde lid is uitgevaardigd.

  7. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en/of veiligheid met betrekking tot een voetbalwedstrijd voorschriften geven.

  8. Het in artikel 2:26 bepaalde is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:27

Begripsbepalingen

  1. Onder openbare inrichting wordt in deze paragraaf verstaan:

    1. de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting worden in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, bed & breakfast, vakantiewoning, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, camping en recreatieparken of clubhuis;

    2. alle al dan niet tegen betaling voor het publiek toegankelijke lokaliteiten, open plaatsen, tuinen of gedeelten daarvan en de daarmee gemeenschap hebbende vertrekken die niet uitsluitend als woning of winkel als bedoeld in de Winkeltijdenwet (met uitzondering van afhaalcentra) worden gebruikt, voor zover daar bij wijze van hoofdfunctie of overwegende nevenfunctie logies wordt verstrekt dan wel gelegenheid wordt gegeven om al dan niet tegen betaling enigerlei eetwaren en/of alcoholvrije drank te verkrijgen en/of te verbruiken;

    3. afhaalcentra, zijnde winkels waar voor gebruik elders dan ter plaatse uitsluitend eetwaren en/of alcoholvrije drank plegen te worden verstrekt.

    4. een bedrijf waar andere dienstverlenende of detailhandelsgerichte activiteiten plaatsvinden al dan niet met horeca gerelateerde activiteiten zoals door de burgemeester aangewezen in het “Aanwijzingsbesluit exploitatievergunning andere openbare inrichtingen”.

  2. Onder openbare inrichting als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden.

  3. Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van de openbare inrichting waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.

  4. Onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene die een openbare inrichting exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2:28 of 2:28g.

  5. Leidinggevende: degene die de feitelijke leiding geeft aan de exploitatie van een openbare inrichting.

  6. Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers:

    1. de gezinsleden van de houder, alsmede zijn elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;

    2. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht;

    3. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 2:28

Exploitatievergunning openbare inrichting

  1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning indien de vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

  3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:

    1. de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of;

    2. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  4. Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting.

  5. In afwijking van het bepaalde in artikel 3:1 Vfl beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.

  6. Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij de openbare inrichting horende terrassen weigeren:

    1. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

    2. indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

    3. Indien het gebruik in strijd is met het regionale terrassenbeleid.

  7. Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de Wegenverordening provincie Limburg van toepassing is.

Artikel 2:28a

Aanvraag vergunning

  1. Voor het verkrijgen van een vergunning moet een schriftelijke aanvraag bij de burgemeester worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen aanvraagformulier.

  2. Bij de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, wordt tenminste:

    1. opgaaf gedaan van de personalia en het adres van de houder(s) en de leidinggevende(n);

    2. opgaaf gedaan van de personalia en het adres van de houder voor zover hij een natuurlijk persoon is en van de zetel en het adres ingeval de houder een rechtspersoon is;

    3. opgaaf gedaan van het adres en de aard van de openbare inrichting;

    4. overgelegd een niet meer dan drie maanden tevoren ten behoeve van de leidinggevende(n) afgegeven verklaring omtrent het gedrag;

    5. overgelegd een nauwkeurige beschrijving van de openbare inrichting, waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan en een plattegrond van de inrichting.

  3. Per openbare inrichting kan niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling worden genomen.

  4. De vergunning kan uitsluitend worden gesteld ten name van de houder(s) van het de openbare inrichting en is niet overdraagbaar.

  5. Uitsluitend de op de vergunning vermelde leidinggevende(n) mag/mogen zijn belast met het geven van de feitelijke leiding in de openbare inrichting.

Artikel 2:28b

Beslissing op de aanvraag

  1. De burgemeester beslist op de aanvraag om een vergunning binnen 12 weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

  2. De burgemeester kan zijn beslissing voor ten hoogste 12 weken verdagen. De aanvrager van de vergunning wordt voor de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis gesteld van het besluit tot verdaging.

  3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 2:28c

Weigeringsgronden

  1. De burgemeester weigert de vergunning indien:

    1. leidinggevende(n) van de in artikel 2:27, onder 1, sub b en c bedoelde openbare inrichtingen de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt;

    2. door de leidinggevende(n) en/of houder(s) c.q. diegene(n) die de rechtspersoon rechtsgeldig vertegenwoordigt(/en) niet wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens artikel 8, eerste lid sub b en c en tweede lid van de Alcoholwet worden gesteld;

    3. er aanwijzingen zijn, dat in de openbare inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.

  2. Een vergunning kan tevens worden geweigerd/ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Voordat hier toepassing aan wordt gegeven kan het bevoegde gezag het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

Artikel 2:28d

Voorschriften

  1. De burgemeester kan aan een vergunning voorschriften verbinden.

  2. De in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:

    1. de openings- en sluitingstijden van de openbare inrichting;

    2. de verkoop van dranken en eetwaren via een loket of automaat vanuit of buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting;

    3. de aanwezigheid van de leidinggevende(n).

  3. De burgemeester kan de aan een vergunning verbonden voorschriften wijzigen dan wel nieuwe voorschriften aan de vergunning verbinden.

  4. Het is verboden te handelen in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.

Artikel 2:28e

Intrekkingsgronden

  1. De burgemeester trekt de vergunning in, indien:

    1. ter verkrijging van de vergunning, gegevens zijn verstrekt die zodanig onjuist of anders blijken te zijn, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

    2. door de wijze van exploitatie het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

    3. zich in de betrokken openbare inrichting feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de ernstige vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde;

    4. niet langer wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 2:28d;

    5. binnen een termijn van zes maanden na de dagtekening van de vergunning geen gebruik is gemaakt van de vergunning, anders dan wegens overmacht;

    6. de exploitatie van de openbare inrichting voor een periode langer dan een jaar is of wordt onderbroken, anders dan wegens overmacht;

    7. de vergunninghouder c.q. houders hierom verzoekt c.q. verzoeken.

    8. er aanwijzingen zijn, dat in de openbare inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.

  2. De burgemeester kan de vergunning intrekken, indien:

    1. naar zijn oordeel gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

    2. er sprake is van een wijziging in de aard van de openbare inrichting;

    3. naar zijn oordeel gehandeld wordt in strijd met de bepalingen van deze afdeling;

    4. op grond van de verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning moet worden aangenomen dat intrekking wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist;

    5. De exploitant, beheerder of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  3. Een vergunning kan tevens worden geweigerd/ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Voordat hier toepassing aan wordt gegeven kan het bevoegde gezag het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

Artikel 2:28f

Sluiting

  1. De burgemeester kan de sluiting al dan niet voor een bepaalde termijn van de horeca-inrichting bevelen indien:

    1. de houder(s)/leidinggevende(n) in strijd handelt/handelen met het bepaalde in artikel 2:28, lid 1 van deze verordening;

    2. gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

    3. de exploitatie van de openbare inrichting op een zodanige wijze plaatsvindt dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed dan wel de vrees bestaat voor een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat. Tot dit bevel wordt, behoudens spoedeisende gevallen, niet overgegaan alvorens de ondernemer(s) schriftelijk is/zijn gewaarschuwd en in de gelegenheid is/zijn gesteld te worden gehoord;

    4. er aanwijzingen zijn, dat in de openbare inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.

  2. De sluiting wordt geacht openbaar bekend te zijn, zodra een afschrift van het bevel tot sluiting op of nabij de toegang of toegangen van de openbare inrichting is aangebracht.

  3. Zolang het bevel tot sluiting van kracht is, is het verboden bezoekers tot de openbare inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven.

  4. Zolang het bevel tot sluiting van kracht is, is het verboden deze als bezoeker te betreden of daarin als bezoeker te verblijven.

  5. De sluiting kan op verzoek van belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid zal plaatsvinden.

Artikel 2:28g

Opheffing vergunningplicht

De burgemeester kan bepalen dat het gestelde in artikel 2:28 niet geldt voor een of meer in dat besluit aangeduide soorten openbare inrichtingen in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente.

Artikel 2:28h

Wijzigen inrichting

Indien een inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, is de vergunninghouder verplicht bedoelde wijziging binnen één maand bij de burgemeester te melden. De burgemeester verstrekt, indien nog aan de ten aanzien van de inrichting gestelde eisen wordt voldaan, een gewijzigde vergunning.

Artikel 2:28i

Meldingsplicht

  1. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens:

    1. een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven;

    2. een aantekening door te laten halen dat een leidinggevende geen bemoeienis heeft met de bedrijfsvoering of de exploitatie van de openbare inrichting.

  2. Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van de vergunning/aanhangsel.

  3. De burgemeester bevestigt onverwijld schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag.

  4. De burgemeester weigert de wijziging van de vergunning/aanhangsel:

    1. indien de persoon bedoeld in het eerste lid, niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 2:28c gestelde eisen;

    2. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  5. Alvorens te beslissen op een aanvraag tot wijziging van de vergunning/aanhangsel kan het bureau bevordering integriteitsbeoordelingen, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen, door het openbaar bestuur om een advies als bedoeld in artikel 9 van die Wet worden gevraagd.

Artikel 2:29

Sluitingstijd

  1. Openbare inrichtingen zijn gesloten tussen 04.00 uur en 06.00 uur.

  2. Van dit sluitingsuur kan de burgemeester in voorkomend geval gemotiveerd ontheffing verlenen.

  3. De in het tweede lid genoemde ontheffingsmogelijkheid geldt enkel voor zaalaccommodaties.

  4. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

  5. Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing in die situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer of diens rechtsopvolger is voorzien.

Artikel 2:30

Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen;

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:31

Verboden gedragingen

Het is verboden in een openbare inrichting:

  1. de orde te verstoren;

  2. zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;

  3. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.

Artikel 2:32

Handel binnen openbare inrichtingen

  1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;

  2. De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in diens inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:34a

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • Alcoholhoudende drank;

  • Horecabedrijf;

  • Horecalokaliteit;

  • Inrichting;

  • Para-commerciële rechtspersoon;

  • Sterke drank;

  • Slijtersbedrijf en

  • Zwak-alcoholhoudende drank,

dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.

Artikel 2:34b

Regulering para-commerciële rechtspersonen

  1. Een para-commercieel rechtspersoon die zich richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard, kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op:

    1. dagen dat trainingen plaats vinden van maximaal 18.00 tot 24.00 uur, conform de in de bestuursreglementen vastgelegde schenkuren (bestuursreglementen artikel 6);

    2. dagen dat wedstrijden plaats vinden van maximaal 09.00 tot 24.00 uur, conform de in de bestuursreglementen vastgelegde schenkuren (bestuursreglementen artikel 6);

    3. afwijking c.q. uitbreiding van de in de bestuursreglementen vastgelegde schenkuren (bestuursreglementen artikel 6), alleen na schriftelijke goedkeuring door de gemeente.

  2. Een para-commercieel rechtspersoon die zich richt op het organiseren van activiteiten in het kader van sociale interactie tussen jongeren kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op:

    1. Dinsdag vanaf 19.00 tot 23.00 uur;

    2. Donderdag vanaf 18.00 tot 23.00 uur;

    3. Vrijdag vanaf 20.00 tot 04.00 uur;

    4. Zaterdag vanaf 20.00 tot 04.00 uur;

    5. Zondag vanaf 20.00 tot 04.00 uur;

    6. afwijking c.q. uitbreiding van de in het bestuursreglement vastgelegde schenkuren (bestuursreglement artikel 4), alleen na schriftelijke goedkeuring door de gemeente.

  3. Een para-commercieel rechtspersoon die zich richt op het organiseren van activiteiten in het kader van culturele interactie kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken:

    1. Tijdens uitvoeringen en vernissages;

    2. Tijdens de activiteiten gedurende de Kunstmaand Vaals;

    3. Tijdens wisselende momenten op basis van het programma;

    4. afwijking c.q. uitbreiding van de in het bestuursreglement vastgelegde schenkuren (bestuursreglement artikel 4), alleen na schriftelijke goedkeuring door de gemeente.

  4. Een para-commercieel rechtspersoon die zich richt op het organiseren van sociaal-culturele en maatschappelijke activiteiten binnen een kern van de gemeente. Kan alcoholhoudende drank uitsluitend vertrekken op:

    1. maandag tot en met zondag van 09.00 tot 00.00 uur.

    2. afwijking c.q. uitbreiding van de in het bestuursreglement vastgelegde schenkuren (bestuursreglement artikel 4), alleen na schriftelijke goedkeuring door de gemeente.

  5. De para-commerciële rechtspersonen mogen geen activiteiten van persoonlijke aard organiseren.

Artikel 2:34c

Proeverijen in slijtlokaliteiten

  1. Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit.

  2. De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.

Artikel 2:35

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

Artikel 2:36

Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:37

Nachtregister

De exploitant of feitelijk leidinggevende van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat ingericht is volgens het door de burgemeester vastgestelde model.

Artikel 2:38

Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder, is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Artikel 2:39

Begripsbepalingen:

  1. de wet: de Wet op de kansspelen;

  2. Speelautomatenbesluit: KB van 23 mei 2000, Stbl 224, houdende regels ter uitvoering van titel VA van de wet, zoals gewijzigd bij besluit van 14 september 2001, Stb. 2001, 415

  3. speelautomaat: een toestel als bedoeld in artikel 30, onder a, van de wet;

  4. behendigheidsautomaat: een speelautomaat als bedoeld in artikel 30, onder b, van de wet;

  5. kansspelautomaat: een speelautomaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de wet;

  6. hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de wet;

  7. laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de wet;

  8. speelautomatenhal: een inrichting als bedoeld in artikel 30c, lid 1, onder b, van de wet;

  9. speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren;

  10. leidinggevende: de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico een inrichting, zoals bedoeld in lid h of lid i, wordt geëxploiteerd;

  11. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin een inrichting, zoals bedoeld in lid h of i, wordt uitgeoefend;

  12. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van een inrichting, zoals bedoeld in lid h of i;

  13. vergunning: een vergunning voor het exploiteren van een speelautomatenhal in een inrichting, zoals bedoeld in lid h of voor het exploiteren van een speelgelegenheid in een inrichting zoals bedoeld in lid i;

  14. vergunninghouder: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon aan wie de vergunning, als bedoeld in artikel 2:39a of 2:39d van deze verordening is verleend.

Artikel 2:39a

Speelgelegenheden

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren;

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 30B of 30C van de Wet op de kansspelen;

  3. De burgemeester weigert de vergunning als:

    1. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of

    2. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het geldend omgevingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;

  4. op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.39b

Aanvraag vergunning voor speelgelegenheden

Onverminderd het bepaalde in artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht verstrekt de ondernemer bij zijn aanvraag om een vergunning de volgende bescheiden:

  1. een nauwkeurige beschrijving van de inrichting, waarin is opgenomen de oppervlakte daarvan, alsmede een plattegrond waarop is aangegeven op welke plaats in de speelgelegenheid en in welke aantallen kansspel- en/of behendigheidsautomaten worden opgesteld;

  2. een bewijs van inschrijving van zijn onderneming in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken;

  3. een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over ruimte te beschikken waarin de speelgelegenheid gevestigd wordt;

  4. een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en verklaringen omtrent het gedrag van:

    1. de ondernemer, dan wel - indien de ondernemer een rechtspersoon is- van degene die de onderneming rechtsgeldig vertegenwoordigt(en);

    2. de beheerders;

    3. de leidinggevenden.

Artikel 2:39c

Kansspelautomaten

  1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.

  2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Artikel 2:39d

Speelautomatenhallen

  1. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren.

  2. De burgemeester kan uitsluitend voor maximaal één speelautomatenhal een vergunning verlenen in het deel van de kern Vaals dat het concentratiegebied vormt. Het concentratiegebied betreft de volgende straten: deel Maastrichterlaan (vanaf kruising Bosstraat/Jos Francotteweg tot aan grens), Koningin Julianaplein, Tyrellsestraat, Kerkstraat. Buiten het aangewezen concentratiegebied is geen speelautomatenhal toegestaan.

  3. De burgemeester verleent op grond van artikel 30b van de wet de aanwezigheidsvergunning speelautomaten.

  4. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.

Artikel 2:39e

Verdelingsprocedure exploitatievergunning speelautomatenhal

  1. De verdeling van een vrijgekomen exploitatievergunning zal overeenkomstig het bepaalde in de dan geldende openbare verdelingsprocedure plaatsvinden.

  2. De burgemeester stelt een openbare verdelingsprocedure, zoals bedoeld in het eerste lid, vast.

Artikel 2:39f

Vergunningaanvraag exploitatievergunning speelautomatenhal

De natuurlijke persoon of de rechtspersoon vraagt een vergunning aan voor het exploiteren van een speelautomatenhal onder overlegging van:

  1. een door de burgemeester vastgesteld aanvraagformulier met bijbehorende bescheiden, dat volledig is ingevuld en ondertekend;

  2. een plattegrond waarop of waarbij een nauwkeurige beschrijving van de inrichting is opgenomen inclusief oppervlakte, het aantal en type speelautomaten en de opstelplekken van de speelautomaten.

  3. een bewijs waaruit blijkt dat over de ruimte beschikt kan worden;

    1. wettelijke bewijsstukken, ingevolge artikel 11 van de Regeling werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen, van alle leidinggevenden.

Artikel 2:39g

Beslistermijn

  1. De burgemeester beslist op een aanvraag voor een vergunning van een speelautomatenhal binnen acht weken nadat de uitslag van de verdeelprocedure, zoals bedoeld in artikel 2:39e, aan de aanvragers schriftelijk bekend is gemaakt.

  2. De burgemeester kan de termijn zoals genoemd in het eerste lid voor ten hoogste acht weken verdagen.

Artikel 2:39h

Gegevens en voorschriften vergunning speelautomatenhal

  1. De vergunning voor een speelautomatenhal is persoons- en locatiegebonden en is niet overdraagbaar.

  2. In de vergunning voor een speelautomatenhal wordt de naam vermeld van alle leidinggevenden alsmede het vestigingsadres van de speelautomatenhal.

  3. Aan de vergunning voor een speelautomatenhal worden voorschriften en beperkingen verbonden. Deze hebben in elk geval betrekking op:

    1. de openingstijden van de speelautomatenhal;

    2. het toezicht in de speelautomatenhal;

    3. het toegangsregime en de toegangsregistratie van de speelautomatenhal;

    4. het voorkomen van de verstoring van de openbare orde en veiligheid;

    5. het voorkomen de van verstoring van het woon- en leefklimaat;

    6. het voorkomen en bestrijden van gokverslaving;

    7. het aantal kansspelautomaten dat mag worden opgesteld;

    8. de exploitatie van de speelautomatenhal.

  4. De speelautomatenhal mag uitsluitend voor het publiek geopend zijn, indien er een leidinggevende aanwezig is die op de vergunning vermeld staat.

Artikel 2:39i

Weigeringsgronden vergunning speelautomatenhal

  1. De vergunning voor een speelautomatenhal wordt geweigerd indien:

    1. het maximaal aantal af te geven vergunningen voor speelautomatenhallen verleend is;

    2. de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal strijd oplevert met het geldend omgevingsplan;

    3. niet voldaan wordt aan de in artikel 2:39f gestelde eisen;

    4. niet voldaan wordt aan de krachtens artikel 30d, vierde lid, van de wet gestelde eisen;

    5. leidinggevenden de leeftijd van 25 jaar niet hebben bereikt;

    6. de ondernemer of de beheerder(s) onder curatele staat (staan) of bewind is ingesteld over één of meer hem (hen) toebehorende goederen, als bedoeld in Boek 1, titel 19 van het Burgerlijk Wetboek.

  2. De vergunning voor een speelautomatenhal kan worden geweigerd indien:

    1. door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar oordeel van de burgemeester het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving, het karakter van de winkelstraat of winkelbuurt dan wel de openbare orde of veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de speelautomatenhal;

    2. de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de weg voor het publiek toegankelijk is.

Artikel 2:39j

Intrekkingsgronden vergunning speelautomatenhal

De burgemeester kan een vergunning voor een speelautomatenhal intrekken indien:

  1. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming is;

  2. de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning voor een speelautomatenhal is verleend, zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 2:39i, tweede lid, onder a;

  3. aannemelijk is dat de leidinggevende betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de speelautomatenhal, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de speelautomatenhal;

  4. de leidinggevende strafbare feiten pleegt in de speelautomatenhal, dan wel toestaat of gedoogt dat in de speelautomatenhal strafbare feiten worden gepleegd;

  5. zich in of vanuit de speelautomatenhal anderszins feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de speelautomatenhal gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de speelautomatenhal;

  6. gedurende een periode van tenminste zes maanden geen gebruik van de vergunning wordt gemaakt;

  7. in strijd met deze verordening of met de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen wordt gehandeld;

  8. de bepalingen bij of krachtens titel VA, paragraaf 2, van de wet zijn overtreden.

  9. De exploitant, beheerder of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

Artikel 2:39k

Wijziging exploitatie van een speelautomatenhal

  1. De vergunning voor een speelautomatenhal kan uitsluitend ten name worden gesteld van de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de vergunning is toegewezen.

  2. De vergunning voor een speelautomatenhal is niet overdraagbaar.

  3. Onder overdracht van de vergunning voor een speelautomatenhal wordt in dit verband ook begrepen een aandelenoverdracht van de rechtspersoon waaraan de vergunning op grond van deze verordening is verleend, alsmede een wijziging van zeggenschap. Onder wijziging van zeggenschap wordt onder meer verstaan; een wijziging in aandeelhouderschap door overdracht van aandelen, fusie of splitsing alsmede het sluiten van overeenkomsten waarin aan een (ten tijde van de vergunningverlening) minderheidsaandeelhouder met betrekking tot bepaalde beslissingen een doorslaggevende stem wordt toegekend.

  4. De vergunning voor een speelautomatenhal geldt uitsluitend voor de locatie waarvoor deze is verleend en geeft geen recht tot exploitatie van een speelautomatenhal elders in de gemeente.

Artikel 2:39l

Wijziging vergunninghouder/rechtspersoon van een speelautomatenhal

  1. Indien de vergunninghouder de exploitatie van zijn speelautomatenhal beëindigt, vervalt de exploitatievergunning van rechtswege.

  2. Indien de exploitatievergunning ingevolge eerste lid is vervallen of ingevolge artikel 2:39i is ingetrokken, geeft de burgemeester toepassing aan de procedure als bedoeld in artikel 2:39e, voor zover de burgemeester opnieuw tot het verlenen van een exploitatievergunning wil overgaan.

  3. In het geval beëindiging van de exploitatie het gevolg is van het overlijden van de vergunninghouder dient, indien voortzetting van de exploitatie wordt beoogd, door de rechtsopvolgers onder algemene titel binnen twaalf weken een nieuwe exploitatievergunning te worden aangevraagd ter voortzetting van de exploitatie voor de nog resterende termijn zoals aan de overleden vergunninghouder vergund.

  4. In alle andere gevallen van wisseling van de vergunninghouder dient, met inachtneming van het bepaalde in artikel 2:39k en artikel 2:39l , tweede lid, binnen vier weken na overname van de speelautomatenhal een nieuwe vergunning te worden aangevraagd ter voortzetting van de exploitatie voor de nog resterende termijn zoals aan de oorspronkelijke vergunninghouder vergund.

  5. Zolang op een tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in derde en vierde lid niet is beslist, is voortzetting van de exploitatie toegestaan met inachtneming van de voorschriften en beperkingen, verbonden aan de oorspronkelijke exploitatievergunning.

Artikel 2:39m

Wijziging leidinggevende van een speelautomatenhal

  1. De vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven of door te halen op de aan hem verleende vergunning voor een speelautomatenhal.

  2. De melding als genoemd in het eerste lid geldt als aanvraag tot wijziging van de vergunning voor een speelautomatenhal.

  3. De in het eerste lid aangemelde nieuwe leidinggevende mag werkzaam zijn in de speelautomatenhal waarvoor de vergunning is verleend, mits de ontvangst van die melding is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist.

  4. Het bepaalde in artikel 2:39f, onder d, en artikel 2:39i, eerste lid, onder e en f, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:39n

Looptijd van de vergunning voor een speelautomatenhal

  1. De vergunning voor een speelautomatenhal die na 1 januari 2022 volgens de verdelingsprocedure van artikel 2:39e, eerste lid, gegund wordt, wordt verleend voor een periode van tien (10) jaar.

  2. Na afloop van de onder het eerste lid genoemde termijn, is artikel 2:39e van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:40

Nadere regels

De burgemeester kan in het belang van:

  1. de openbare orde;

  2. de openbare veiligheid;

  3. de volksgezondheid;

nadere regels stellen ten aanzien van een vergunning voor een speelautomatenhal als bedoeld in artikel 2:39d en artikel 2:39e.

Artikel 2:40a

Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  1. Inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden verricht die verband houden met, dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als een smartshop, headshop, belwinkel of nachtwinkel;

  2. Leidinggevende:

    1. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd;

    2. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting;

    3. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting.

  3. Bezoeker: eenieder, die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van:

    1. de levenspartner en kinderen van de leidinggevende van de inrichting, alsmede zijn elders wonende bloed- of aanverwanten of die van zijn levenspartner;

    2. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

  4. Bevoegd gezag: het college van burgemeester en wethouders of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

Artikel 2:40b

Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een inrichting te exploiteren (winkelvergunning).

Artikel 2:40c

Eisen leidinggevende

Een leidinggevende:

  1. staat niet onder curatele;

  2. is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;

  3. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

  4. heeft de leeftijd van 18 jaar bereikt.

Artikel 2:40d

Nadere regels

Het bevoegd gezag kan bij openbare bekendmaking:

  1. bepalen dat het exploiteren van categorieën inrichtingen, genoemd in artikel 2:40a al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, geheel of gedeeltelijk van vergunningplicht is vrijgesteld;

  2. nadere regels stellen aan de onder 1 genoemde vrijstelling.

Artikel 2:40e

Vergunningaanvraag

  1. Voor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag bij het bevoegd gezag worden ingediend aan de hand van een door het bevoegd gezag vast te stellen formulier.

  2. Bij de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, wordt tenminste:

    1. opgaaf gedaan van de personalia dan wel zetel en het adres van de leidinggevende voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd;

    2. opgaaf gedaan van de personalia en het adres van iedere overige leidinggevende;

    3. overlegd een recente pasfoto van de leidinggevende(n);

    4. opgaaf gedaan van het adres en de aard van de inrichting;

    5. overlegd een niet meer dan drie maanden tevoren ten behoeve van de leidinggevende afgegeven verklaring omtrent het gedrag;

    6. overlegd een nauwkeurige beschrijving van de inrichting, waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan en een plattegrond van de inrichting.

  3. Per inrichting wordt niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling genomen.

Artikel 2:40f

Beslistermijn

  1. Het bevoegd gezag beslist binnen dertien weken na de datum waarop de aanvraag met bijbehorende bescheiden is ontvangen.

  2. Het bevoegd gezag kan zijn beslissing voor ten hoogste 8 weken verdagen. De aanvrager van de vergunning wordt voor de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis gesteld van de verdaging.

  3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 2:40g

Weigeringsgronden

  1. Het bevoegd gezag weigert de vergunning indien de vestiging en/of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend omgevingsplan.

  2. Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren indien naar zijn oordeel door de aanwezigheid van de inrichting de openbare orde wordt aangetast en/of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting nadelig wordt beïnvloed.

  3. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt het bevoegd gezag rekening met:

    1. het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen;

    2. de aard van de inrichting;

    3. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting;

    4. de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied;

    5. de wijze van bedrijfsvoering van een leidinggevende van de inrichting in deze of in andere inrichtingen;

    6. de wijze van exploitatie van de inrichting in het verleden.

  4. Een vergunning kan voorts worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  5. Voordat toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

Artikel 2:40h

Vergunning

  1. In een vergunning worden vermeld:

    1. de natuurlijke persoon of rechtspersoon of -personen aan wie de vergunning is verleend;

    2. de leidinggevenden;

    3. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt;

    4. de plaats waar de inrichting zich bevindt;

    5. de situering en de oppervlakten van de lokaliteiten en terrassen;

  2. De vergunning of een afschrift daarvan is in de winkel aanwezig.

Artikel 2:40i

Aanwezigheid leidinggevende

Het is verboden een inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat op een vergunning met betrekking tot die inrichting of een andere vergunning van dezelfde vergunninghouder.

Artikel 2:40j

Intrekkingsgronden

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan het bevoegd gezag de vergunning intrekken indien:

    1. aannemelijk is, dat een leidinggevende van de inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

    2. een leidinggevende van de inrichting toestaat dan wel gedoogt, dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd;

    3. een leidinggevende van de inrichting zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht en seksuele geaardheid;

    4. zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

    5. een niet daarin vermelde persoon leidinggevende is geworden met betrekking tot de inrichting, waarop de vergunning betrekking heeft;

    6. er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

    7. De exploitant, beheerder of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  2. Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, aanhef onder f, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

Artikel 2:40k

Vervallen vergunning

  1. De vergunning vervalt, indien:

    1. de exploitatie van de inrichting voor een periode van langer dan drie maanden is of wordt onderbroken;

    2. er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd;

    3. een vergunning, strekkende ter vervanging van de eerstbedoelde vergunning is verleend.

  2. Van het feit dat de vergunning is vervallen op grond van het bepaalde in het eerste lid onder a en b doet het bevoegd gezag mededeling aan hem op wiens naam de vergunning is gesteld.

Artikel 2:40l

Sluiting van inrichtingen

  1. Het bevoegd gezag kan een inrichting – al dan niet voor een bepaalde duur – gesloten verklaren:

    1. indien die inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;

    2. indien die inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

    3. indien het bevoegd gezag oordeelt, dat een van de in artikel 2:40j genoemde situaties waarbij intrekking van de vergunning mogelijk is, zich voordoet.

  2. De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van de inrichting is aangebracht.

  3. Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(n) door het bevoegd gezag worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

  4. Het is verboden, na het van kracht worden van de sluiting als bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot de inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven.

  5. Het is een ieder verboden in een bij besluit van het bevoegd gezag gesloten inrichting als bezoeker te verblijven.

Artikel 2:40m

Toegang opsporingsambtenaren

De leidinggevende van een inrichting is verplicht er voor te zorgen dat opsporingsambtenaren, als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering alsmede de ambtenaren die door burgemeester en wethouders of de burgemeester met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast, vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot zijn bedrijf:

  1. gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers geopend is; dan wel

  2. gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn en indien die opsporingsambtenaren hun vermoeden uiten dat daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.

Artikel 2:41

Betreden gesloten woning of lokaal

  1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden te betreden: een op grond van artikel 13b van de Opiumwet gesloten:

    1. Woning en daarbij behorende erven;

    2. niet voor publiek toegankelijk lokaal;

    3. voor publiek toegankelijk lokaal en daarbij behorende erven.

  3. De burgemeester is bevoegd ontheffing te verlenen van het in het eerste en tweede lid gestelde verbod.

Artikel 2:42

Plakken en kladden

  1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

    1. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    2. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  3. Het verbod in het tweede lid gestelde is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  5. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

  7. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:43

Vervoer plakgereedschap e.d.

  1. Het is verboden op de weg enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2:44

Vervoer inbrekerswerktuigen

  1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:45

Betreden van plantsoenen e.d.

  1. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is, verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.

  2. Het eerste lid heeft geen betrekking op die plaatsen die als speelveld, -weide kunnen worden gebruikt, tenzij er sprake is van ernstige aantasting van het openbaar groen.

  3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 2:46

Vervallen en opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving

Artikel 2:47

Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  1. Het is verboden op een openbare plaats:

    1. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    2. zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder berokkent.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:48

Hinderlijk/verboden drankgebruik

  1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  2. Het is verboden op de weg alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben, waarbij hinder wordt of kan worden veroorzaakt.

  3. Het verbod is niet van toepassing op:

    1. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; en

    2. een andere plaats dan een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2:49

Verboden gedrag bij of in gebouwen

  1. Het is verboden:

    1. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;

    2. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo’n gebouw.

Artikel 2:50

Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:50a

Messen en andere voorwerpen als steekwapen

  1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.

  2. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.

  3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.

Artikel 2:51

Neerzetten van fietsen of bromfietsen

Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek indien:

  1. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of

  2. daardoor die ingang versperd wordt.

Artikel 2:52

Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein e.d.

Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:53

Bespieden van personen

  1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een gebouw of woonwagen op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw of woonwagen bevindt, te bespieden.

  2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw of woonwagen bevind te bespieden.

Artikel 2:57

Loslopende honden APV

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    1. binnen de bebouwde kom, op een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is, zulks met uitzondering van door het college speciaal daartoe aangewezen hondenlosloopgebieden;

    2. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speelweide, begraafplaats, openbaar groen of op een andere door het college aangewezen plaats;

    3. In natuurgebieden buiten de bebouwde kom of andere door het college aangewezen plaatsen zonder dat de hond is aangelijnd.

  2. Het verbod geldt niet voor zover de eigenaar of houder van de hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd is voor het opleiden van de hond tot geleidehond.

  3. In het eerste lid wordt verstaan onder:

    1. hondenlosloopgebied: al dan niet omheinde en door het college aangewezen locaties, waar de aanlijnplicht niet geldt en waar de hond binnen de bebouwde kom vrij zijn behoefte kan doen.

Artikel 2:58

Verontreiniging door honden

  1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht de uitwerpselen van de hond onverwijld op te ruimen:

    1. binnen en buiten de bebouwde kom op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd is voor het verkeer van voetgangers, met uitzondering van door het college speciaal aangewezen, als zodanig ingerichte hondenlosloopgebieden en uitlaatroutes en buiten de bebouwde kom naast het pad/in de berm;

    2. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speelweide, begraafplaats, openbaar groen of op een andere door het college aangewezen plaats.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

  3. In het eerste lid wordt verstaan onder:

    1. hondenlosloopgebied: al dan niet omheinde en door het college aangewezen locaties, waar de aanlijnplicht niet geldt en waar de hond binnen de bebouwde kom vrij zijn behoefte kan doen;

    2. uitlaatroute: door het college aangewezen locaties, alwaar een hond aangelijnd naast het pad/in de berm zijn behoefte kan doen.

Artikel 2:58a

Verplichting tot voeren ruimmiddel

  1. Het is een ieder verboden zich binnen en buiten de bebouwde kom met een hond op een openbare plaats te bevinden zonder dat men een hulpmiddel, dat geschikt is voor het opruimen van de uitwerpselen, bij zich draagt.

  2. Degene die zich met een hond op de in artikel 2:58 lid 1 bedoelde plaatsen bevindt is verplicht het hulpmiddel op de eerste vordering aan de met het toezicht op de naleving van dit artikel belaste ambtenaren te tonen.

Artikel 2:59

Gevaarlijke honden

  1. Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    2. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    3. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  4. Onverminderd artikel 2:57 eerste lid, aanhef en onder c dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2:60

Vervallen en opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving

Artikel 2:60a

Voederverbod vogels

  1. Het is verboden (stads)duiven of andere overlast veroorzakende vogels te voeren in de openbare ruimtes van de kernen en in overige door het college aangewezen gebieden.

  2. Het verbod geldt niet voor de eigenaar of houder van duiven of andere vogels die deze hobbymatig of beroepsmatig houdt.

Artikel 2:62

Vervallen en opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving

Artikel 2:63

Vervallen en opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving

Artikel 2:64

Vervallen en opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving

Artikel 2:65

Bedelarij

Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.

Artikel 2:65a

Vervallen en opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving

Artikel 2:66

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:67

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register of het register zoals bedoeld in het vastgestelde “aanwijzingsbesluit digitaal in- en verkoopregister handelaren in tweedehands goederen”. Daarin vermeldt hij onverwijld:

    1. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    2. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    3. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen –voor zover dat mogelijk is- soort, merk en nummer van het goed;

    4. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;

    5. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen;

    6. legitimatiebewijs van de verkoper.

  2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.

  3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 2:68

Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  1. De burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    2. van een verandering van de onder 1, sub a, bedoelde adressen;

    3. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

    4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.

  2. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  4. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf werkdagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:71

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan: vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

Artikel 2:72

Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

  1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college.

  2. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 2:73

Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  3. De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:74

Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:74a

Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:74b

Weggooien van spuiten e.d.

Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers e.d. of daarop gelijkende voorwerpen op of aan de openbare weg dan wel in afvalbakken achter te laten met het kennelijke doel om afstand van het voorwerp te doen.

Artikel 2:75

Bestuurlijke ophouding

De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde artikel 3.1, 3.3, 3.7 en 5.17 van de Verordening fysieke leefomgeving groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2:76

Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:77

Cameratoezicht op openbare plaatsen

  1. De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera's voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

  2. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van de volgende andere plaatsen: (door de gemeenteraad aan te wijzen).

Artikel 2:78

Gebiedsontzeggingen

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste een maal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen 4 weken na een eerder tijdelijk verbod opnieuw een of meer van de bovengenoemde overtredingen begaat een tijdelijk verbod opleggen gedurende ten hoogste vier weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  3. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.

  4. Als de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 2:79

Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.

  3. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke:

    1. geluid- of geurhinder;

    2. hinder van dieren;

    3. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    4. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

    5. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Artikel 2:80

Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel [2:30], eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

  3. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf.

  4. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  5. Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester.

  6. De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 2:81

Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

  1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    1. bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen [2:28] of [3:3];

    2. beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit;

    3. exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.

  2. De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is.

  3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied.

  4. De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt:

    1. voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd;

    2. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder;

    3. het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;

    4. het nummer van inschrijving in het Handelsregister;

    5. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder;

    6. voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten;

    7. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;

    8. een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder.

  5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

    1. als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    2. als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    3. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    4. als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag;

    5. als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    6. als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer.

  6. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet.

  7. Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.

  8. De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden.

  9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat:

    1. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    2. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    3. er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;

    4. er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    5. de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of

    6. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.

  10. Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning en het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester[, onverminderd het bepaalde in artikel 2:80,] een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.

  11. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf.

  12. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  13. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het tiende lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin of daarop te verblijven.

  14. De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

  15. In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning.

  16. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening 2026