[Vervallen]
Algemene plaatselijke verordening (APV) Zaanstad 2013 BETA Foutje gevonden?
Inhoud
Paragraaf
Artikel 5:34
Rondvaart- en verhuurbedrijf (z)
Het is verboden zonder vergunning van het college:
een bedrijf tot het per vaartuig vervoeren van passagiers te exploiteren, indien een punt van afvaart binnen de gemeente is gelegen;
in openbaar water een bedrijf tot het verhuren van vaartuigen te exploiteren.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het vaartuig als bedoeld in lid 1 sub a een lengte heeft van meer dan 25 meter.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:35
Veren (z)
-
Het is zonder vergunning van het college verboden een al dan niet openbaar middel tot vervoer van personen te water, bestemd om de geregelde verbinding tussen bepaalde punten binnen de gemeente te onderhouden, in werking te brengen of te houden.
-
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:36
Het besturen van vaartuigen onder invloed van alcoholhoudende dranken en/of andere stoffen (z)
(vervallen)
Artikel 5:38
Het breken van ijs (z)
[Vervallen (opgenomen in artikel 5.65 Verordening Fysieke Leefomgeving)]
Artikel 5:42a
Veilige toegang (z)
Een afgemeerd schip beschikt over een toegang, die geen gevaar of schade kan veroorzaken.
Een binnenschip hoeft niet over een toegang te beschikken indien:
de feitelijke situatie dit onmogelijk maakt ten gevolge van laad – of loshandelingen; of
het afmeren van korte duur is.
Artikel 5:43a
Verhalen anders dan op eigen aanvraag (z)
De kapitein van een zeeschip, de schipper van een binnenschip of de rechthebbende op een ander soort schip of object te water is verplicht dit naar elders te verhalen indien dat naar het oordeel van het college in het belang van ordening, openbare orde, veiligheid of milieu noodzakelijk is.
Het college kan de in het eerste lid bedoelde schepen en objecten verhalen indien dit op grond van de in dat lid bedoelde belangen zonder uitstel dringend noodzakelijk is dan wel de kapitein, schipper of rechthebbende onbekend is.