1. Bij regeling van Onze Minister die het aangaat, na overleg met Onze Minister, kunnen aanvullende parameters als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel d, van de wet worden vastgesteld.

  2. Bij regeling van Onze Minister die het aangaat, na overleg met Onze Minister, kunnen de criteria worden vastgesteld op basis waarvan wordt bepaald of een verstoring aanzienlijk is als bedoeld in artikel 17, derde lid, van de wet, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen sectoren, subsectoren, categorieën van entiteiten en entiteiten. In plaats van de vaststelling van die criteria bij regeling kan Onze Minister die het aangaat, na overleg met Onze Minister, die criteria ten aanzien van specifieke entiteiten vaststellen bij besluit.

  3. Onze Minister die het aangaat evalueert ten minste elke vier jaar de doeltreffendheid van de criteria, bedoeld in het tweede lid, en de effecten daarvan in de praktijk. Indien nodig past hij de criteria, na overleg met Onze Minister, aan.