1. De kritieke entiteit neemt maatregelen voor de adequate fysieke bescherming van haar gebouwen en haar kritieke infrastructuur. Daartoe neemt de entiteit in ieder geval de volgende maatregelen:

    1. het instellen van beveiligingszones;

    2. het inrichten van toegangsbeveiliging;

    3. het beveiligen van kantoren, ruimten, faciliteiten, bedrijfsmiddelen buiten het terrein en nutsvoorzieningen, die van essentieel belang zijn voor de instandhouding van haar kritieke infrastructuur;

    4. het monitoren van de beveiliging; en

    5. het plaatsen van apparatuur op een veilige locatie en het treffen van beschermingsmaatregelen voor die apparatuur.

  2. Indien de kritieke entiteit risico’s heeft geïdentificeerd ten aanzien van natuurrampen en klimaatverandering, neemt zij in ieder geval maatregelen in het kader van die risico’s die op of rondom haar huidige en toekomstige locaties kunnen bestaan, zowel ondergronds als bovengronds.

  3. De kritieke entiteit legt de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk vast.