Kentekenreglement

Inhoud

Artikel 39

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-01-2007.
  1. Tot de invordering van het kentekenbewijs als bedoeld in artikel 60 van de wet zijn bevoegd:

    1. de Directie van de Dienst Wegverkeer en de door de Directie daartoe aangewezen tot die dienst behorende ambtenaren, indien naar hun oordeel artikel 60, eerste lid, onderdeel b of c of tweede lid, van de wet, van toepassing is;

    2. de door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën aangewezen ambtenaren der Rijksbelastingdienst, indien naar hun oordeel niet is voldaan aan artikel 36, vijfde lid, van de wet, dan wel naar hun oordeel artikel 60, eerste lid, onderdeel a , van de wet, van toepassing is;

    3. de ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, indien naar hun oordeel artikel 60, eerste lid, onderdeel a, b of c, dan wel artikel 60, tweede lid, van de wet van toepassing is.

  2. De verplichting tot overgifte, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet, heeft betrekking op deel I van het kentekenbewijs.

  3. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren geven het deel I B van het kentekenbewijs, indien dit was afgegeven, na inzage terug aan degene van wie het is ingevorderd en reiken voor deel I A onverwijld een ontvangstbewijs uit. Zij doen dit deel met vermelding van de reden van invordering zo spoedig mogelijk toekomen aan de Dienst Wegverkeer.

  4. Indien de invordering heeft plaatsgevonden op grond van artikel 60, eerste lid, onderdeel b , van de wet, mogen de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde ambtenaren het deel I A van het kentekenbewijs gedurende ten hoogste vier weken onder zich houden. Zij geven dit deel tegen teruggave van het ontvangstbewijs aan de houder daarvan terug, indien binnen deze termijn naar hun oordeel is aangetoond dat het voertuig in overeenstemming is gebracht met de bij of krachtens de wet vastgestelde eisen. Van het onder zich houden, respectievelijk het teruggeven, stellen zij de Dienst Wegverkeer in kennis.

  5. Indien dit bij de vordering van de houder van een kentekenbewijs wordt geëist, is deze verplicht tot het op een daarbij te bepalen tijd en plaats ter beschikking houden van het voertuig, waarvoor het bewijs is afgegeven.

  6. Indien de vordering betrekking heeft op een kentekenbewijs dat is afgegeven voor een aanhangwagen die overeenkomstig artikel 3.7.3, eerste lid, van het Voertuigreglement is voorzien van een constructieplaat, kan aan de vordering worden voldaan binnen een termijn van een week.

04-07-2026 Huidig 01-07-2026 Historisch 01-01-2026 Historisch 01-07-2025 Historisch 01-01-2022 Historisch 21-05-2021 Historisch 01-04-2021 Historisch 01-01-2021 Historisch 01-01-2020 Historisch 01-07-2019 Historisch 28-07-2018 Historisch 25-05-2018 Historisch 06-01-2014 Historisch 01-01-2014 Historisch 01-01-2013 Historisch 30-06-2012 Historisch 04-05-2011 Historisch 01-01-2011 Historisch 10-02-2010 Historisch 18-09-2009 Historisch 01-05-2009 Historisch 06-04-2009 Historisch 01-11-2008 Historisch 01-07-2008 Historisch 01-01-2008 Historisch 06-07-2007 Historisch 01-01-2007 Historisch 25-08-2006 Historisch 01-09-2005 Historisch 13-05-2005 Historisch 23-03-2005 Historisch 11-03-2005 Historisch 24-12-2004 Historisch 31-05-2004 Historisch 01-09-2002 Historisch 28-06-2002 Historisch 01-04-2002 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 31-05-2004.

Tekst van deze versie

  1. Tot de invordering van het kentekenbewijs als bedoeld in artikel 60 van de wet zijn bevoegd:

    1. de Directie van de Dienst Wegverkeer en de door de Directie daartoe aangewezen tot die dienst behorende ambtenaren, indien naar hun oordeel artikel 60, eerste lid, onderdeel b of c of tweede lid, van de wet, van toepassing is;

    2. de door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën aangewezen ambtenaren der Rijksbelastingdienst, indien naar hun oordeel niet is voldaan aan artikel 36, vijfde lid, van de wet, dan wel naar hun oordeel artikel 60, eerste lid, onderdeel a , van de wet, van toepassing is;

    3. de ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, indien naar hun oordeel artikel 60, eerste lid, onderdeel a, b of c, dan wel artikel 60, tweede lid, van de wet van toepassing is.

  2. De verplichting tot overgifte, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet, heeft betrekking op deel I van het kentekenbewijs.

  3. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren geven het deel I B van het kentekenbewijs, indien dit was afgegeven, na inzage terug aan degene van wie het is ingevorderd en reiken voor deel I A onverwijld een ontvangstbewijs uit. Zij doen dit deel met vermelding van de reden van invordering zo spoedig mogelijk toekomen aan de Dienst Wegverkeer.

  4. Indien de invordering heeft plaatsgevonden op grond van artikel 60, eerste lid, onderdeel b , van de wet, mogen de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde ambtenaren het deel I A van het kentekenbewijs gedurende ten hoogste vier weken onder zich houden. Zij geven dit deel tegen teruggave van het ontvangstbewijs aan de houder daarvan terug, indien binnen deze termijn naar hun oordeel is aangetoond dat het voertuig in overeenstemming is gebracht met de bij of krachtens de wet vastgestelde eisen. Van het onder zich houden, respectievelijk het teruggeven, stellen zij de Dienst Wegverkeer in kennis.

  5. Indien dit bij de vordering van de houder van een kentekenbewijs wordt geëist, is deze verplicht tot het op een daarbij te bepalen tijd en plaats ter beschikking houden van het voertuig, waarvoor het bewijs is afgegeven.

  6. Indien de vordering betrekking heeft op een kentekenbewijs dat is afgegeven voor een aanhangwagen die overeenkomstig artikel 3.7.3, eerste lid, van het Voertuigreglement is voorzien van een constructieplaat, kan aan de vordering worden voldaan binnen een termijn van een week.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Kentekenreglement