-
Ingeval van overtreding van de bij of krachtens de in artikel 15.1, eerste lid, bedoelde voorschriften, alsmede van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, kan Onze Minister de overtreder een boete opleggen van ten hoogste € 450 000.
-
Het college kan aan een onderneming een boete opleggen van ten hoogste € 450 000, of, indien dat meer is, 10% van de relevante omzet van de onderneming in Nederland, ingeval van:
overtreding van de bij of krachtens hoofdstuk 6a gestelde voorschriften, met uitzondering van artikel 6a.20;
overtreding van een op grond van artikel 12.2 genomen besluit, voor zover de overtreding geschiedt door een onderneming die beschikt over een aanmerkelijke marktmacht en betrekking heeft op een bij of krachtens hoofdstuk 6a gesteld voorschrift, met uitzondering van artikel 6a.20.
-
De directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit kan aan een onderneming een boete opleggen van ten hoogste € 450 000, of, indien dat meer is, 10% van de relevante omzet van de onderneming in Nederland, ingeval van overtreding van artikel 6a.20.
-
Ingeval van overtreding van de bij of krachtens de in artikel 15.1, derde lid, bedoelde voorschriften, niet zijnde de voorschriften, bedoeld in het tweede lid, alsmede van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, kan het college aan de overtreder een boete opleggen van ten hoogste € 450 000.
-
De hoogte van de boete wordt in ieder geval afgestemd op de ernst en de duur van de overtreding, alsmede op de mate waarin de overtreder daarvan een verwijt kan worden gemaakt.
-
De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt indien ter zake van de overtreding op grond waarvan de boete kan worden opgelegd, tegen de overtreder een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 37 van de Wet op de economische delicten.
-
Het recht tot strafvervolging vervalt indien Onze Minister, onderscheidenlijk het college, aan betrokkene terzake van hetzelfde feit reeds een boete heeft opgelegd.
-
Als relevante omzet als bedoeld in het tweede en derde lid wordt aangemerkt de omzet van de onderneming:
in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking, bedoeld in artikel 15.10;
berekend op de voet van artikel 337, zesde lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek voor de netto-omzet en
voor zover betrekking hebbend op de omzet die de desbetreffende onderneming had bij het aanbieden van openbare elektronische communicatienetwerken, openbare elektronische communicatiediensten en bijbehorende faciliteiten.
Inhoud
Artikel 15.4
HISTORISCH
Je bekijkt een oudere officiële versie van 19-05-2004.
Deze versie geldt vanaf 19-05-2004.
01-07-2026
Huidig
01-09-2025
Historisch
01-07-2025
Historisch
28-06-2025
Historisch
01-01-2024
Historisch
01-06-2023
Historisch
19-04-2023
Historisch
01-05-2022
Historisch
02-03-2022
Historisch
01-07-2021
Historisch
21-12-2020
Historisch
04-12-2020
Historisch
01-10-2020
Historisch
11-07-2020
Historisch
01-03-2020
Historisch
01-01-2020
Historisch
01-07-2016
Historisch
30-04-2016
Historisch
01-01-2016
Historisch
11-03-2015
Historisch
11-12-2014
Historisch
01-08-2014
Historisch
25-01-2014
Historisch
01-01-2014
Historisch
01-04-2013
Historisch
15-03-2013
Historisch
01-01-2013
Historisch
01-10-2012
Historisch
30-06-2012
Historisch
05-06-2012
Historisch
08-02-2012
Historisch
16-07-2011
Historisch
31-03-2010
Historisch
01-01-2010
Historisch
28-12-2009
Historisch
01-10-2009
Historisch
01-09-2009
Historisch
01-07-2009
Historisch
01-01-2009
Historisch
15-10-2008
Historisch
01-07-2008
Historisch
01-04-2008
Historisch
03-03-2008
Historisch
02-11-2007
Historisch
01-10-2007
Historisch
12-09-2007
Historisch
17-08-2007
Historisch
20-07-2007
Historisch
30-06-2007
Historisch
07-02-2007
Historisch
01-02-2007
Historisch
13-12-2006
Historisch
01-09-2006
Historisch
08-03-2006
Historisch
01-01-2006
Historisch
01-07-2005
Historisch
01-09-2004
Historisch
19-05-2004
Historisch
21-05-2003
Historisch
01-01-2003
Historisch
29-05-2002
Historisch
01-01-2002
Historisch
Vergelijking met vorige versie
Vergeleken met 01-01-2002
Tekst van deze versie
- Ingeval van overtreding van de bij of krachtens de in artikel 15.1, eerste lid, bedoelde voorschriften, alsmede van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrechtbestuursrecht, kan Onze Minister aan de overtreder een boete opleggen van ten hoogste € 450 000.
-
IngevalHet van overtreding van de bij of krachtens de in artikel 15.1, derde lid, bedoelde voorschriften, alsmede van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrechtcollege kan het college aan deeen overtrederonderneming een boete opleggen van ten hoogste € 450 000.000, of, indien dat meer is, 10% van de relevante omzet van de onderneming in Nederland, ingeval van:
- overtreding van de bij of krachtens hoofdstuk 6a gestelde voorschriften, met uitzondering van artikel 6a.20;
- overtreding van een op grond van artikel 12.2 genomen besluit, voor zover de overtreding geschiedt door een onderneming die beschikt over een aanmerkelijke marktmacht en betrekking heeft op een bij of krachtens hoofdstuk 6a gesteld voorschrift, met uitzondering van artikel 6a.20.
- De directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit kan aan een onderneming een boete opleggen van ten hoogste € 450 000, of, indien dat meer is, 10% van de relevante omzet van de onderneming in Nederland, ingeval van overtreding van artikel 6a.20.
- Ingeval van overtreding van de bij of krachtens de in artikel 15.1, derde lid, bedoelde voorschriften, niet zijnde de voorschriften, bedoeld in het tweede lid, alsmede van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, kan het college aan de overtreder een boete opleggen van ten hoogste € 450 000.
-
De hoogte van de boete wordt in ieder geval afgestemd op de ernst en de duur van de overtreding, alsmede op de mate waarin de overtreder daarvan een verwijt kan worden gemaakt.
- De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt indien terzaketer zake van de overtreding op grond waarvan de boete kan worden opgelegd, tegen de overtreder een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 37 van de Wet op de economische delicten.
- Het recht tot strafvervolging vervalt indien Onze Minister, onderscheidenlijk het college, aan de betrokkene terzake van hetzelfde feit reeds een boete heeft opgelegd.
-
Als relevante omzet als bedoeld in het tweede en derde lid wordt aangemerkt de omzet van de onderneming:
- in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking, bedoeld in artikel 15.10;
- berekend op de voet van artikel 337, zesde lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek voor de netto-omzet en
- voor zover betrekking hebbend op de omzet die de desbetreffende onderneming had bij het aanbieden van openbare elektronische communicatienetwerken, openbare elektronische communicatiediensten en bijbehorende faciliteiten.
Nog geen automatische verwijzingen.
Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.