Indien gebruikers als bedoeld in artikel 3.21 aan wie frequentieruimte is toegewezen als bedoeld in artikel 3.5, dan wel aan wie vergunning is verleend voor het gebruik van frequentieruimte, geen overeenstemming kunnen bereiken over de voorwaarden waaronder de aan hen toegewezen frequentieruimte gezamenlijk in gebruik zal worden genomen, kan Onze Minister op aanvraag van een of meer van hen, voorschriften geven inzake het tot stand brengen van een overeenkomst als bedoeld in artikel 3.21.
Op aanvraag van de gezamenlijke gebruikers kan Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid intrekken.
De artikelen 12.5, eerste tot en met derde lid, 12.6 en 12.7 zijn van overeenkomstige toepassing.
Indien er een geschil is ontstaan over de krachtens artikel 6.3a, eerste lid, opgelegde verplichting tussen de aanbieder aan wie de verplichting is opgelegd en de door die verplichting begunstigde aanbieder, kan Onze Minister op aanvraag van een bij dat geschil betrokken partij het geschil beslechten.
In het kader van de geschilbeslechting, bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister met het oog op een doelmatig gebruik van frequentieruimte een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte verlenen of wijzigen voor het bewerkstelligen van gedeeld gebruik van frequentieruimte waarvoor de begunstigde aanbieder een vergunning heeft.
De artikelen 12.2, tweede lid, 12.3, 12.5, eerste tot en met derde lid, 12.6 en 12.7 zijn van overeenkomstige toepassing.
Op vordering van Onze Minister verstrekken de bij een geschil betrokken partijen binnen twee weken dan wel binnen een andere door Onze Minister te bepalen redelijke termijn, aan Onze Minister alle gegevens die relevant zijn voor de beoordeling van het geschil.
De bij het geschil betrokken partijen zijn verplicht onverwijld, maar in elk geval binnen de door Onze Minister gestelde redelijke termijn, alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen ten behoeve van de beoordeling van het geschil.