Telecommunicatiewet

Inhoud

Artikel 20.14

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-09-2006.
  1. Ten aanzien van de instelling die zendtijd als bedoeld in artikel 1, onder hh, van de Mediawet heeft verkregen en die ingevolge artikel 3.3 een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep behoeft, blijft dat artikel voor dat doel buiten toepassing gedurende zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, en indien binnen die termijn een aanvraag voor een vergunning is ingediend, ook nadien, tot zes weken na de datum van de beschikking waarbij op de aanvraag is beslist.

  2. Zolang en voorzover artikel 3.3 buiten toepassing blijft ten aanzien van het gebruik van frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep, blijft de Nederlandsche Omroep-Zender-Maatschappij «NOZEMA», genoemd in artikel 1 van de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935, bevoegd gebruik te maken van de frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep, voorzover die frequentieruimte aan haar overeenkomstig artikel 2 van de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935 door Onze Minister is toegewezen.

  3. Zolang en voorzover artikel 3.3 buiten toepassing blijft ten aanzien van het gebruik van frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep, blijft de NOZEMA, in afwijking van artikel 10.16, bevoegd radiozendapparaten aan te leggen en te gebruiken ten behoeve van het verzorgen van diensten, waarbij gebruik wordt gemaakt van de frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep.

  4. Zolang en voorzover artikel 3.3 buiten toepassing blijft ten aanzien van het gebruik van frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep, blijven de krachtens artikel 3.3 gestelde regels ten aanzien van het gebruik van frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep ten aanzien van de NOZEMA eveneens buiten toepassing.

  5. De frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig artikel 2 van de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935 door Onze Minister aan de NOZEMA is toegewezen, wordt door de NOZEMA uiterlijk zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aan Onze Minister ter beschikking gesteld.

01-07-2026 Huidig 01-09-2025 Historisch 01-07-2025 Historisch 28-06-2025 Historisch 01-01-2024 Historisch 01-06-2023 Historisch 19-04-2023 Historisch 01-05-2022 Historisch 02-03-2022 Historisch 01-07-2021 Historisch 21-12-2020 Historisch 04-12-2020 Historisch 01-10-2020 Historisch 11-07-2020 Historisch 01-03-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch 01-07-2016 Historisch 30-04-2016 Historisch 01-01-2016 Historisch 11-03-2015 Historisch 11-12-2014 Historisch 01-08-2014 Historisch 25-01-2014 Historisch 01-01-2014 Historisch 01-04-2013 Historisch 15-03-2013 Historisch 01-01-2013 Historisch 01-10-2012 Historisch 30-06-2012 Historisch 05-06-2012 Historisch 08-02-2012 Historisch 16-07-2011 Historisch 31-03-2010 Historisch 01-01-2010 Historisch 28-12-2009 Historisch 01-10-2009 Historisch 01-09-2009 Historisch 01-07-2009 Historisch 01-01-2009 Historisch 15-10-2008 Historisch 01-07-2008 Historisch 01-04-2008 Historisch 03-03-2008 Historisch 02-11-2007 Historisch 01-10-2007 Historisch 12-09-2007 Historisch 17-08-2007 Historisch 20-07-2007 Historisch 30-06-2007 Historisch 07-02-2007 Historisch 01-02-2007 Historisch 13-12-2006 Historisch 01-09-2006 Historisch 08-03-2006 Historisch 01-01-2006 Historisch 01-07-2005 Historisch 01-09-2004 Historisch 19-05-2004 Historisch 21-05-2003 Historisch 01-01-2003 Historisch 29-05-2002 Historisch 01-01-2002 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-01-2002.

Tekst van deze versie

  1. Ten aanzien van de instelling die zendtijd als bedoeld in artikel 1, onder hh, van de Mediawet heeft verkregen en die ingevolge artikel 3.3 een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep behoeft, blijft dat artikel voor dat doel buiten toepassing gedurende zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, en indien binnen die termijn een aanvraag voor een vergunning is ingediend, ook nadien, tot zes weken na de datum van de beschikking waarbij op de aanvraag is beslist.

  2. Zolang en voorzover artikel 3.3 buiten toepassing blijft ten aanzien van het gebruik van frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep, blijft de Nederlandsche Omroep-Zender-Maatschappij «NOZEMA», genoemd in artikel 1 van de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935, bevoegd gebruik te maken van de frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep, voorzover die frequentieruimte aan haar overeenkomstig artikel 2 van de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935 door Onze Minister is toegewezen.

  3. Zolang en voorzover artikel 3.3 buiten toepassing blijft ten aanzien van het gebruik van frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep, blijft de NOZEMA, in afwijking van artikel 10.16, bevoegd radiozendapparaten aan te leggen en te gebruiken ten behoeve van het verzorgen van diensten, waarbij gebruik wordt gemaakt van de frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep.

  4. Zolang en voorzover artikel 3.3 buiten toepassing blijft ten aanzien van het gebruik van frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep, blijven de krachtens artikel 3.3 gestelde regels ten aanzien van het gebruik van frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep ten aanzien van de NOZEMA eveneens buiten toepassing.

  5. De frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig artikel 2 van de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935 door Onze Minister aan de NOZEMA is toegewezen, wordt door de NOZEMA uiterlijk zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aan Onze Minister ter beschikking gesteld.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Telecommunicatiewet