Telecommunicatiewet

Inhoud

Artikel 9.2

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-07-2005.
  1. Indien naar het oordeel van Onze Minister de beschikbaarheid, de betaalbaarheid of de kwaliteit van een of meer van de openbare elektronische communicatiediensten of voorzieningen, bedoeld in artikel 9.1, eerste of derde lid, niet door het normale functioneren van de markt wordt of zal kunnen worden gegarandeerd, kan Onze Minister bij besluit de verzorging van de desbetreffende diensten of voorzieningen in een bij dat besluit te bepalen verzorgingsgebied voor ten hoogste vijf jaar opdragen aan degene die overeenkomstig de in dit artikel geregelde procedure wordt aangewezen als degene die de laagste totale nettokosten verwacht.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter uitvoering van hoofdstuk II van richtlijn nr. 2002/22/EG nadere regels gesteld die van toepassing zijn in het geval een opdracht tot verzorging van een of meer tot de universele dienst behorende diensten of voorzieningen is gegeven. Hierbij kunnen ter uitvoering van het in de eerste volzin genoemde hoofdstuk taken worden opgedragen en bevoegdheden worden verleend aan het college.

  3. Onze Minister maakt het voornemen over te gaan tot een opdracht bekend aan de aanbieder van het openbare elektronische communicatienetwerk waarop in het verzorgingsgebied de meeste eindgebruikers zijn aangesloten die reeds gebruik maken van de openbare elektronische communicatiedienst die wordt opgedragen of, indien er sprake is van een op te dragen voorziening, de aanbieder van het openbare elektronische communicatienetwerk waarop in het verzorgingsgebied de meeste eindgebruikers zijn aangesloten die gebruik maken van de openbare elektronische communicatiedienst waarmee de op te dragen voorziening samenhangt. In het voornemen worden de te verzorgen openbare elektronische communicatiedienst of voorziening, het verzorgingsgebied en de periode waarvoor de opdracht zal worden gegeven neergelegd.

  4. Van het voornemen wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. Daarbij wordt gewezen op de in het zesde lid geregelde mogelijkheid een aanvraag in te dienen om een opdracht.

  5. Binnen acht weken na de datum van de in het derde lid, eerste volzin, bedoelde bekendmaking wordt door de in het derde lid bedoelde aanbieder aan Onze Minister meegedeeld of hij verwacht in aanmerking te komen voor een vergoeding op grond van artikel 9.3 indien aan hem een opdracht zou worden gegeven. Verwacht de in de vorige zin bedoelde aanbieder in aanmerking te komen voor een vergoeding dan deelt hij Onze Minister tevens mee wat per kalenderjaar naar zijn verwachting de hoogte van de in artikel 9.3, tweede lid, bedoelde nettokosten zullen zijn.

  6. Binnen acht weken na de datum van de in het vierde lid bedoelde bekendmaking kan bij Onze Minister door anderen dan de in het derde lid bedoelde aanbieder, een aanvraag worden ingediend om een opdracht.

  7. De aanvraag bevat in ieder geval een verklaring van de aanvrager of hij verwacht in aanmerking te komen voor een vergoeding op grond van artikel 9.3, indien aan hem een opdracht zou worden gegeven. Verwacht de aanvrager in aanmerking te komen voor een vergoeding dan deelt hij Onze Minister tevens mee wat per kalenderjaar naar zijn verwachting de hoogte van de in artikel 9.3, tweede lid, bedoelde nettokosten zullen zijn.

  8. Een opdracht wordt geweigerd indien de aanvrager naar verwachting de opdracht niet naar behoren zal kunnen verzorgen.

  9. De opdracht wordt, na een onderlinge vergelijking van de hoogte van de door aanvragers aan wie de opdracht op grond van het achtste lid niet is geweigerd, verwachte totale nettokosten en door de in het derde lid bedoelde aanbieders verwachte totale nettokosten, opgedragen aan degene die de laagste totale nettokosten verwacht.

  10. Indien op grond van de in het negende lid bedoelde vergelijking meerdere opdrachten kunnen worden gegeven wordt door middel van het lot beslist aan wie de opdracht wordt gegeven.

01-07-2026 Huidig 01-09-2025 Historisch 01-07-2025 Historisch 28-06-2025 Historisch 01-01-2024 Historisch 01-06-2023 Historisch 19-04-2023 Historisch 01-05-2022 Historisch 02-03-2022 Historisch 01-07-2021 Historisch 21-12-2020 Historisch 04-12-2020 Historisch 01-10-2020 Historisch 11-07-2020 Historisch 01-03-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch 01-07-2016 Historisch 30-04-2016 Historisch 01-01-2016 Historisch 11-03-2015 Historisch 11-12-2014 Historisch 01-08-2014 Historisch 25-01-2014 Historisch 01-01-2014 Historisch 01-04-2013 Historisch 15-03-2013 Historisch 01-01-2013 Historisch 01-10-2012 Historisch 30-06-2012 Historisch 05-06-2012 Historisch 08-02-2012 Historisch 16-07-2011 Historisch 31-03-2010 Historisch 01-01-2010 Historisch 28-12-2009 Historisch 01-10-2009 Historisch 01-09-2009 Historisch 01-07-2009 Historisch 01-01-2009 Historisch 15-10-2008 Historisch 01-07-2008 Historisch 01-04-2008 Historisch 03-03-2008 Historisch 02-11-2007 Historisch 01-10-2007 Historisch 12-09-2007 Historisch 17-08-2007 Historisch 20-07-2007 Historisch 30-06-2007 Historisch 07-02-2007 Historisch 01-02-2007 Historisch 13-12-2006 Historisch 01-09-2006 Historisch 08-03-2006 Historisch 01-01-2006 Historisch 01-07-2005 Historisch 01-09-2004 Historisch 19-05-2004 Historisch 21-05-2003 Historisch 01-01-2003 Historisch 29-05-2002 Historisch 01-01-2002 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 19-05-2004.

Tekst van deze versie

  1. Indien naar het oordeel van Onze Minister de beschikbaarheid, de betaalbaarheid of de kwaliteit van een of meer van de openbare elektronische communicatiediensten of voorzieningen, bedoeld in artikel 9.1, eerste of derde lid, niet door het normale functioneren van de markt wordt of zal kunnen worden gegarandeerd, kan Onze Minister bij besluit de verzorging van de desbetreffende diensten of voorzieningen in een bij dat besluit te bepalen verzorgingsgebied voor ten hoogste vijf jaar opdragen aan degene die overeenkomstig de in dit artikel geregelde procedure wordt aangewezen als degene die de laagste totale nettokosten verwacht.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter uitvoering van hoofdstuk II van richtlijn nr. 2002/22/EG nadere regels gesteld die van toepassing zijn in het geval een opdracht tot verzorging van een of meer tot de universele dienst behorende diensten of voorzieningen is gegeven. Hierbij kunnen ter uitvoering van het in de eerste volzin genoemde hoofdstuk taken worden opgedragen en bevoegdheden worden verleend aan het college.

  3. Onze Minister maakt het voornemen over te gaan tot een opdracht bekend aan de aanbieder van het openbare elektronische communicatienetwerk waarop in het verzorgingsgebied de meeste eindgebruikers zijn aangesloten die reeds gebruik maken van de openbare elektronische communicatiedienst die wordt opgedragen of, indien er sprake is van een op te dragen voorziening, de aanbieder van het openbare elektronische communicatienetwerk waarop in het verzorgingsgebied de meeste eindgebruikers zijn aangesloten die gebruik maken van de openbare elektronische communicatiedienst waarmee de op te dragen voorziening samenhangt. In het voornemen worden de te verzorgen openbare elektronische communicatiedienst of voorziening, het verzorgingsgebied en de periode waarvoor de opdracht zal worden gegeven neergelegd.

  4. Van het voornemen wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. Daarbij wordt gewezen op de in het zesde lid geregelde mogelijkheid een aanvraag in te dienen om een opdracht.

  5. Binnen acht weken na de datum van de in het derde lid, eerste volzin, bedoelde bekendmaking wordt door de in het derde lid bedoelde aanbieder aan Onze Minister meegedeeld of hij verwacht in aanmerking te komen voor een vergoeding op grond van artikel 9.3 indien aan hem een opdracht zou worden gegeven. Verwacht de in de vorige zin bedoelde aanbieder in aanmerking te komen voor een vergoeding dan deelt hij Onze Minister tevens mee wat per kalenderjaar naar zijn verwachting de hoogte van de in artikel 9.3, tweede lid, bedoelde nettokosten zullen zijn.

  6. Binnen acht weken na de datum van de in het vierde lid bedoelde bekendmaking kan bij Onze Minister door anderen dan de in het derde lid bedoelde aanbieder, een aanvraag worden ingediend om een opdracht.

  7. De aanvraag bevat in ieder geval een verklaring van de aanvrager of hij verwacht in aanmerking te komen voor een vergoeding op grond van artikel 9.3, indien aan hem een opdracht zou worden gegeven. Verwacht de aanvrager in aanmerking te komen voor een vergoeding dan deelt hij Onze Minister tevens mee wat per kalenderjaar naar zijn verwachting de hoogte van de in artikel 9.3, tweede lid, bedoelde nettokosten zullen zijn.

  8. Een opdracht wordt geweigerd indien de aanvrager naar verwachting de opdracht niet naar behoren zal kunnen verzorgen.

  9. De opdracht wordt, na een onderlinge vergelijking van de hoogte van de door aanvragers aan wie de opdracht op grond van het achtste lid niet is geweigerd, verwachte totale nettokosten en door de in het derde lid bedoelde aanbieders verwachte totale nettokosten, opgedragen aan degene die de laagste totale nettokosten verwacht.

  10. Indien op grond van de in het negende lid bedoelde vergelijking meerdere opdrachten kunnen worden gegeven wordt door middel van het lot beslist aan wie de opdracht wordt gegeven.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Telecommunicatiewet