Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Hilvarenbeek 2026 BETA Foutje gevonden?

Inhoud

Hoofdstuk

Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Artikel 3:1

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. activiteitenbesluit milieubeheer: activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  2. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  3. gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  4. gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  5. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  6. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  7. inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1:1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  8. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 3:2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

  1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, en 2.20 van het Activiteiten-besluit milieubeheer en artikel 4:5 gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 22.239 Tijdelijk Omgevingsplan (bruidschat) gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aan-wijzing slechts geldt in een of meer van de volgende delen: Baarschot, Biest-Houtakker, Diessen, Esbeek, Haghorst en Hilvarenbeek.

  4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalen-derjaar bekend.

  5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 50 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2:17a, 2:19, 2:19a en 2.20 van het Activiteit-enbesluit milieubeheer en artikel 4:5 uiterlijk om 02:00 uur te worden beëindigd.

Artikel 3:3

Melding incidentele festiviteiten

  1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 8 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19,2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

  2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 8 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de vieren van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden tenbehoeve van sportactiviteiten waarbij 22.239 Tijdelijk Omgevingsplan (bruidschat) niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

  3. De melding is gedaan wanneer deze volledig en tijdig is aangeleverd.

  4. De melding wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de hou- der van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  5. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 50 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  6. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  7. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteit-enbesluit milieubeheer en artikel 4:5, op maandag tot en met vrijdag uiterlijk om 1.00 uur en op zaterdag en zondag uiterlijk om 2.00 uur beëindigd.

  8. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

  9. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 3:4

Onversterkte muziek

  1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2:5, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

    1. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

    2. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein.

    3. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

    4. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcor-rectie wordt toegepast.

  2. Voor de duur van 10 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.

  3. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte muziek, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 3:2 en 3:3.

Artikel 3:5

Geluidhinder in de openlucht

  1. Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van de geluids-apparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan en de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.

  4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:

    1. het maximale geluidsniveau;

    2. de situering van de geluidsbronnen;

    3. de frequentie en tijden van gebruik.

  5. Het verbod is niet van toepassing als de activiteit bij of krachtens de Omgevingswet is toegelaten, of sprake is van een situatie waarin wordt voorzien bij of krachtens de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 3:6

Overige geluidhinder

  1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten inwerking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen

  3. Het verbod is niet van toepassing als de activiteit bij of krachtens de Omgevingswet is toegelaten, of sprake is van een situatie waarin wordt voorzien bij of krachtens de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale verordening.

Artikel 3:6a

Mosquito

  1. Onder mosquito wordt verstaan een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.

  2. In afwijking van artikel 3:6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.

  3. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht.

  4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.

  5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste 6 maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste 2 maanden verlengen.

Artikel 3:7

Straatvegen

Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke

reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.

Artikel 3:8

Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 3:9

Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 3:9a

Verbod oplaten ballonnen

  1. Het is verboden één of meerdere ballonnen, van welk materiaal dan ook door middel van hetelucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen of in de lucht te brengen;

  2. Onder ballon wordt verstaan: feest-, geluks-, papier-, wens-, sfeer-, herdenkings-, reclame-ballon of -lampion en dergelijke.

  3. Het verbod is niet van toepassing op

    1. luchtvaartuigen als bedoeld in de Wet luchtvaart;

    2. ballonnen waarbij de richting en/of hoogte door menselijk ingrijpen wordt bepaald; en

    3. ballonnen, die noodzakelijk zijn voor bijvoorbeeld meteorologisch of andere weten- schappelijke waarnemingen.

Artikel 3:9b

Verbod gebruik plastic confetti en serpentines

Het is verboden confetti en serpentine, van een ander materiaal dan afbreekbaar papier, op de weg te gebruiken en/of te verspreiden in de open lucht.

Artikel 3:10

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, gelijkgesteld aan de komgrens;

  2. boom: een houtachtig, opgaand gewas, zowel levens als afgestorven, met een omtrek van de stam van minimaal 60 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de omtrek van de dikste stam. In afwijking van het hiervoor gestelde kan de omtrek kleiner zijn dan 60 centimeter op 1,3 meter boven het maaiveld, indien sprake is van een houtopstand in het kader van een herplant- of instandhoudingsplicht als bedoeld in artikel 3:11e;

  3. houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, of andere houtachtige gewassen, mogelijk onderdeel uitmakend van hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen, een struweel of een heg, met de onder sub a genoemde minimale dwarsdoorsnede;

  4. kandelaberen: het terugsnoeien van de kroon tot een hoofdstam met takstompen. Met als richtlijn dat de lengte van de takstomp 8-maal de doorsnede van de tak moet zijn en dat de takken ongeveer op dezelfde lengte vanaf de stam afgezet worden.

  5. kappen: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand;

  6. lijst van waardevolle bomen: een door het college vastgestelde lijst waarop monumenten en andere beschermwaardige particuliere bomen binnen de bebouwde kom in de gemeente worden vermeld;

  7. rooien: het geheel verwijderen van het boven- en ondergrondse deel van de houtopstand;

  8. vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsieren van de hout- opstand ten gevolge kunnen hebben;

  9. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

  10. dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand;

  11. landbouwgrond: grond waarop een vorm van de volgende cultuur bedreven wordt: akkerbouw, veehouderij, pluimveehouderij, tuinbouw – daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen - teelt van griendhout en elke andere vorm van bodemcultuur hier te lande met uitzondering van bosbouw.

Artikel 3:11

Gereserveerd Artikel 3:11a Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

    1. gemeentelijke en particuliere houtopstanden met een dwarsdoorsnede kleiner dan 20 cm op 1,3 meter boven het maaiveld met uitzondering van bomen en houtopstanden welke zijn geplant in het kader van de in artikelen 3.11e van deze afdeling bedoelde herplant;

    2. houtopstanden op private percelen met een totaaloppervlakte kleiner dan 250m2 grondoppervlakte ,inclusief bebouwing, binnen de bebouwde kom;

    3. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot;

    4. kweekgoed;

    5. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    6. het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van regulier onderhoud, met uitzondering van de eerste maal voor het kandalaberen van een of meerdere specifieke bomen;

    7. windschermen om boomgaarden;

    8. fruit- en vruchtbomen welke aantoonbaar op bedrijfseconomische wijze worden gekweekt ten behoeve van fruit- en vruchtteelt;

    9. fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

    10. houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij de Bosgroep Zuid-Nederland geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die:

      • ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are;

      • ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen;

    11. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 3:11e.

  3. Indien voor het vellen van houtopstand reeds een aanlegvergunning wordt vereist op grond van een rechtsgeldigheid bestemmingsplan wordt bij verlening van deze aanlegvergunning de vergunning als bedoeld in het eerste lid geacht te zijn verleend.

  4. Geen omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand is nodig indien er naar het oordeel van het college sprake is van een plotselinge bedreiging van de openbare veiligheid of een noodtoestand, terwijl tegelijkertijd het treffen van maatregelen onevenredig bezwarend is in verhouding tot het belang dat gediend is met instandhouding van de houtopstand.

Artikel 3:11b

Aanvraag omgevingsvergunning

  1. De omgevingsvergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

  2. De omgevingsvergunning moet schriftelijk en gemotiveerd, onder bijvoeging van een situatie-schets, worden aangevraagd door middel van een door het college vastgesteld aanvraag-formulier.

Artikel 3:11c

Beperking geldigheidsduur

  1. De omgevingsvergunning tot vellen als bedoeld in deze verordening vervalt indien daar niet binnen één jaar na het onherroepelijk zijn van de omgevingsvergunning gebruik is gemaakt.

  2. In het geval het een omgevingsvergunning voor het vellen van meer dan één boom betreft, is de vergunning voor alle bomen slechts één jaar geldig, ook als in fasen geveld wordt of één boom of enkele bomen al geveld zijn.

Artikel 3:11d

Voorschriften

  1. Tot de aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant.

  2. Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  3. Tot aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren dat pas tot vellen van houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien andere vergunningen, ontheffingen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.

Artikel 3:11e

Herplant/instandhoudingsplicht

  1. Indien houtopstand zonder omgevingsvergunning van het college is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, terwijl daar op grond van deze afdeling een omgevings- vergunning voor nodig is, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.

  2. De verplichtingen en voorschriften van dit artikel 3:11e kunnen gelden voor bomen kleiner dan de in artikel 3:11a genoemde minimummaat.

  3. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplanting en op welke wijze niet aangeslagen beplanting moet worden vervangen.

  4. Indien houtopstand in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd en er voor eventueel vellen op grond van deze afdeling een omgevingsvergunning nodig is, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door het te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

Artikel 3:11f

Kapplicht

De gemeente kan een kapplicht opleggen voor het kappen van bomen buiten de bebouwde kom in het openbaar gebied indien:

  1. de boom een gevaar vormt voor de openbare veiligheid;

  2. de boom ziek is of een gevaar vormt voor de gezondheid van nabijgelegen bomen of planten;

  3. de boom de ecologische balans in het gebied verstoort;

  4. de boom door verwaarlozing in gevaar verkeert en reguliere snoei niet volstaat.

Artikel 3:11g

Bestrijding van boomziekten

  1. Indien zich op een terrein een of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekte- verspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aan- geschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:

    1. de houtopstand te vellen;

    2. conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

  2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.

  3. Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.

Artikel 3:12

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

  1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijke aanzien van de gemeente,ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    1. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onder- delen daarvan;

    2. b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    3. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:14 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of voor verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

    4. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras,

    5. loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 3:13

Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

  1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

  2. Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

Artikel 3:14

Definitie

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor een recreatief nachtverblijf.

Artikel 3:15

Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of ge-plaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan/BOPA is bestemd of mede bestemd of met een omgevingsvergunning is toegestaan.

  2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van:

    1. natuur en landschap; of

    2. een stadsgezicht.

Artikel 3:16

Aanwijzing kampeerplaatsen

  1. Artikel 3:15, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 3:15, vierde lid.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Hilvarenbeek 2026