Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Hilvarenbeek 2026 BETA Foutje gevonden?

Inhoud

Afdeling

Het bewaren van houtopstanden

Artikel 3:10

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, gelijkgesteld aan de komgrens;

  2. boom: een houtachtig, opgaand gewas, zowel levens als afgestorven, met een omtrek van de stam van minimaal 60 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de omtrek van de dikste stam. In afwijking van het hiervoor gestelde kan de omtrek kleiner zijn dan 60 centimeter op 1,3 meter boven het maaiveld, indien sprake is van een houtopstand in het kader van een herplant- of instandhoudingsplicht als bedoeld in artikel 3:11e;

  3. houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, of andere houtachtige gewassen, mogelijk onderdeel uitmakend van hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen, een struweel of een heg, met de onder sub a genoemde minimale dwarsdoorsnede;

  4. kandelaberen: het terugsnoeien van de kroon tot een hoofdstam met takstompen. Met als richtlijn dat de lengte van de takstomp 8-maal de doorsnede van de tak moet zijn en dat de takken ongeveer op dezelfde lengte vanaf de stam afgezet worden.

  5. kappen: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand;

  6. lijst van waardevolle bomen: een door het college vastgestelde lijst waarop monumenten en andere beschermwaardige particuliere bomen binnen de bebouwde kom in de gemeente worden vermeld;

  7. rooien: het geheel verwijderen van het boven- en ondergrondse deel van de houtopstand;

  8. vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsieren van de hout- opstand ten gevolge kunnen hebben;

  9. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

  10. dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand;

  11. landbouwgrond: grond waarop een vorm van de volgende cultuur bedreven wordt: akkerbouw, veehouderij, pluimveehouderij, tuinbouw – daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen - teelt van griendhout en elke andere vorm van bodemcultuur hier te lande met uitzondering van bosbouw.

Artikel 3:11

Gereserveerd Artikel 3:11a Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

    1. gemeentelijke en particuliere houtopstanden met een dwarsdoorsnede kleiner dan 20 cm op 1,3 meter boven het maaiveld met uitzondering van bomen en houtopstanden welke zijn geplant in het kader van de in artikelen 3.11e van deze afdeling bedoelde herplant;

    2. houtopstanden op private percelen met een totaaloppervlakte kleiner dan 250m2 grondoppervlakte ,inclusief bebouwing, binnen de bebouwde kom;

    3. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot;

    4. kweekgoed;

    5. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    6. het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van regulier onderhoud, met uitzondering van de eerste maal voor het kandalaberen van een of meerdere specifieke bomen;

    7. windschermen om boomgaarden;

    8. fruit- en vruchtbomen welke aantoonbaar op bedrijfseconomische wijze worden gekweekt ten behoeve van fruit- en vruchtteelt;

    9. fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

    10. houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij de Bosgroep Zuid-Nederland geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die:

      • ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are;

      • ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen;

    11. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 3:11e.

  3. Indien voor het vellen van houtopstand reeds een aanlegvergunning wordt vereist op grond van een rechtsgeldigheid bestemmingsplan wordt bij verlening van deze aanlegvergunning de vergunning als bedoeld in het eerste lid geacht te zijn verleend.

  4. Geen omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand is nodig indien er naar het oordeel van het college sprake is van een plotselinge bedreiging van de openbare veiligheid of een noodtoestand, terwijl tegelijkertijd het treffen van maatregelen onevenredig bezwarend is in verhouding tot het belang dat gediend is met instandhouding van de houtopstand.

Artikel 3:11b

Aanvraag omgevingsvergunning

  1. De omgevingsvergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

  2. De omgevingsvergunning moet schriftelijk en gemotiveerd, onder bijvoeging van een situatie-schets, worden aangevraagd door middel van een door het college vastgesteld aanvraag-formulier.

Artikel 3:11c

Beperking geldigheidsduur

  1. De omgevingsvergunning tot vellen als bedoeld in deze verordening vervalt indien daar niet binnen één jaar na het onherroepelijk zijn van de omgevingsvergunning gebruik is gemaakt.

  2. In het geval het een omgevingsvergunning voor het vellen van meer dan één boom betreft, is de vergunning voor alle bomen slechts één jaar geldig, ook als in fasen geveld wordt of één boom of enkele bomen al geveld zijn.

Artikel 3:11d

Voorschriften

  1. Tot de aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant.

  2. Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  3. Tot aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren dat pas tot vellen van houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien andere vergunningen, ontheffingen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.

Artikel 3:11e

Herplant/instandhoudingsplicht

  1. Indien houtopstand zonder omgevingsvergunning van het college is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, terwijl daar op grond van deze afdeling een omgevings- vergunning voor nodig is, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.

  2. De verplichtingen en voorschriften van dit artikel 3:11e kunnen gelden voor bomen kleiner dan de in artikel 3:11a genoemde minimummaat.

  3. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplanting en op welke wijze niet aangeslagen beplanting moet worden vervangen.

  4. Indien houtopstand in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd en er voor eventueel vellen op grond van deze afdeling een omgevingsvergunning nodig is, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door het te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

Artikel 3:11f

Kapplicht

De gemeente kan een kapplicht opleggen voor het kappen van bomen buiten de bebouwde kom in het openbaar gebied indien:

  1. de boom een gevaar vormt voor de openbare veiligheid;

  2. de boom ziek is of een gevaar vormt voor de gezondheid van nabijgelegen bomen of planten;

  3. de boom de ecologische balans in het gebied verstoort;

  4. de boom door verwaarlozing in gevaar verkeert en reguliere snoei niet volstaat.

Artikel 3:11g

Bestrijding van boomziekten

  1. Indien zich op een terrein een of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekte- verspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aan- geschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:

    1. de houtopstand te vellen;

    2. conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

  2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.

  3. Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Hilvarenbeek 2026