1. De vergunning wordt door de burgemeester ingetrokken als:

    1. Deze is verleend op grond van door de exploitant verstrekte onjuiste of onvolledige informatie en een ander besluit op de aanvraag zou zijn genomen indien bij het nemen daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

    2. Één of meer leidinggevenden niet langer voldoen aan de eisen genoemd onder artikel 2:28 lid 5;

    3. Zich in of in de nabijheid van de openbare inrichting feiten hebben voorgedaan, die - naar het oordeel van de burgemeester – de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, de veiligheid, de volksgezondheid, het woon- en leefklimaat of de zedelijkheid.

  2. De vergunning kan door de burgemeester worden ingetrokken als wordt gehandeld in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen.

  3. Ten aanzien van een openbare inrichting waarvan de exploitatievergunning is ingetrokken, kan tevens worden bepaald dat een exploitatievergunning voor de desbetreffende locatie gedurende een bepaalde termijn van maximaal vijf jaar zal worden geweigerd.