Burgerlijk Wetboek Boek 7

Inhoud

Artikel 270

Actueel
Je bekijkt de huidige officiële versie van 01-07-2026.
Deze versie geldt vanaf 01-07-2026.
  1. De huurder die een ruil van woonruimte wenst te bewerkstelligen, kan vorderen dat de rechter hem zal machtigen om een ander in zijn plaats als huurder te stellen. Indien op de woonruimte hoofdstuk 2 van de Huisvestingswet 2014 van toepassing is, moet de eiser een ten behoeve van de voorgestelde huurder afgegeven huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 8 van die wet met betrekking tot woonruimte overleggen.

  2. De rechter beslist met inachtneming van de omstandigheden van het geval, met dien verstande dat hij de vordering slechts kan toewijzen, indien de huurder een zwaarwichtig belang bij de ruil van woonruimte heeft en dat hij deze afwijst, indien de voorgestelde huurder vanuit financieel oogpunt niet voldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur. De rechter kan aan de machtiging voorwaarden verbinden of daarbij een last opleggen.

  3. Van deze bepaling kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.

01-07-2026 Huidig 01-01-2026 Historisch 18-07-2025 Historisch 01-07-2025 Historisch 12-02-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 01-07-2024 Historisch 01-05-2024 Historisch 13-02-2024 Historisch 01-01-2024 Historisch 01-07-2023 Historisch 18-02-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 01-10-2022 Historisch 22-09-2022 Historisch 02-08-2022 Historisch 01-08-2022 Historisch 01-07-2022 Historisch 27-04-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 01-07-2021 Historisch 01-05-2021 Historisch 01-04-2021 Historisch 01-01-2021 Historisch 15-10-2020 Historisch 01-09-2020 Historisch 01-08-2020 Historisch 01-07-2020 Historisch 01-04-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-01-2020.

Tekst van deze versie

  1. De huurder die een ruil van woonruimte wenst te bewerkstelligen, kan vorderen dat de rechter hem zal machtigen om een ander in zijn plaats als huurder te stellen. Indien op de woonruimte hoofdstuk 2 van de Huisvestingswet 2014 van toepassing is, moet de eiser een ten behoeve van de voorgestelde huurder afgegeven huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 8 van die wet met betrekking tot woonruimte overleggen.

  2. De rechter beslist met inachtneming van de omstandigheden van het geval, met dien verstande dat hij de vordering slechts kan toewijzen, indien de huurder een zwaarwichtig belang bij de ruil van woonruimte heeft en dat hij deze afwijst, indien de voorgestelde huurder vanuit financieel oogpunt niet voldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur. De rechter kan aan de machtiging voorwaarden verbinden of daarbij een last opleggen.

  3. Van deze bepaling kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Burgerlijk Wetboek Boek 7