Reglement rijbewijzen Laatste controle 18-04-2026, laatste wijziging 14-04-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk I Algemene bepalingen
§ 1 Begripsbepalingen
§ 2 Uitzonderingen rijbewijsplicht
§ 3 Minimumleeftijd voor het besturen van motorrijtuigen
§ 4 Eisen ten aanzien van het geven van rijonderricht
§ 5 Registratie van rijbewijzen uit andere lid-staten van de Europese Gemeenschap en uit andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
§ 6 Omvang van de uit het rijbewijs voortvloeiende bevoegdheid
§ 7 Geldigheidsduur van het rijbewijs
Hoofdstuk II Aanvraag van rijbewijzen
Hoofdstuk III Verklaringen van rijvaardigheid
Hoofdstuk IV Verklaringen van geschiktheid
Hoofdstuk V Afgifte van rijbewijzen
Hoofdstuk VI Maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid
Hoofdstuk VII Registratie van gegevens met betrekking tot rijbewijzen
Hoofdstuk VIIa Verklaringen van vakbekwaamheid en verklaringen van nascholing voor bestuurders goederen- en personenvervoer over de weg
Hoofdstuk VIII Bromfietscertificaten
§ 1 Algemeen
§ 2 Aanvraag van bromfietscertificaten
§ 3 Het bromfiets-examen
§ 4 Eisen ten aanzien van de administratie met betrekking tot de afgifte van bromfietscertificaten
§ 5 Beveiliging
§ 6 Het register betreffende de afgifte van bromfietscertificaten
Hoofdstuk VIIIa Experiment met rijbewijs B voor volledig elektrische bedrijfsauto’s tot 4.250 kg
Hoofdstuk VIIIb Experiment begeleid rijden
Hoofdstuk VIIIc Experiment elektronische aanvraag rijbewijzen
Hoofdstuk IX Overgangsbepalingen
Hoofdstuk X Strafbepaling
Hoofdstuk XI Slotbepalingen

Afdeling 4

Onderzoeken naar de rijvaardigheid of geschiktheid

Artikel 133

  1. Tijdstip en plaats van het in artikel 133 van de wet bedoelde onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid of, indien het onderzoek in gedeelten plaatsvindt, van die gedeelten, worden door het CBR vastgesteld:

    1. in de in artikel 131, eerste lid, van de wet bedoelde gevallen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de volledige betaling van de kosten van het onderzoek, in die gevallen waarin betaling voor rekening van betrokkene komt;

    2. in de overige gevallen zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na het besluit als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet.

  2. Indien betrokkene niet op de voor het onderzoek vastgestelde tijd en plaats aanwezig is, worden zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het afwezigheidsbericht tijd en plaats van het onderzoek door het CBR opnieuw vastgesteld tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake is van een geldige reden van verhindering.

  3. Indien betrokkene niet op de vastgestelde tijd en plaats aanwezig is zonder dat van een geldige reden van verhindering blijkt, wordt daarvan door de aangewezen deskundige of deskundigen onverwijld mededeling gedaan aan het CBR.

Artikel 134

  1. Het in artikel 133 van de wet bedoelde onderzoek naar de rijvaardigheid omvat een theorie-gedeelte en een praktijk-gedeelte.

  2. Indien het onderzoek betrekking heeft op meerdere rijbewijscategorieën, wordt de kennis van de theorie van alle categorieën gezamenlijk onderzocht.

  3. Het praktijk-gedeelte bestaat uit een rijproef voor elk van de categorieën waarop het onderzoek betrekking heeft.

  4. Indien het onderzoek betrekking heeft op een of meer van AM, A1, A2, A, B, C, C1, D, D1, E en T dan wel mede op een of meer van die rijbewijscategorieën, bestaat het praktijk-gedeelte in afwijking van het derde lid uit een of meerdere rijproeven, afgenomen overeenkomstig artikel 135.

  5. Bij ministeriële regeling worden richtlijnen vastgesteld omtrent de wijze van beoordelen van de rijvaardigheid van betrokkene.

Artikel 134a

Indien het in artikel 133 van de wet bedoelde onderzoek naar de rijvaardigheid een onderzoek betreft op basis van feiten of omstandigheden die het rijgedrag betreffen, dan bestaat het onderzoek alleen uit een praktijkonderzoek. Artikel 134, derde tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 135

  1. Indien het onderzoek betrekking heeft op de rijbewijscategorieën B, C, C1, D, D1, E en T, wordt eerst een rijproef voor de categorie E bij C afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede voldoet aan de eisen voor de categorieën C, E bij C1, C1, E bij D, D, E bij D1, D1, E bij B, B en T.

  2. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie E bij C niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie C afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede voldoet aan de eisen voor de categorieën E bij C1, C1, E bij D, D, E bij D1, D1, E bij B, B en T.

  3. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie C niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie E bij D afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede voldoet aan de eisen voor de categorieën D, E bij D1, D1, E bij B en B.

  4. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie E bij D niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie D afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede voldoet aan de eisen voor de categorieën E bij D1, D1, E bij B en B.

  5. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie D niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie E bij C1 afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede voldoet aan de eisen voor de categorie E bij D1, D1, E bij B en B.

  6. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie E bij C1 niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie C1 afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede voldoet aan de eisen voor de categorie E bij D1, D1, E bij B en B.

  7. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie C1 niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie E bij D1 afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede voldoet aan de eisen voor de categorie D1, E bij B en B.

  8. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie E bij D1 niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie D1 afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede voldoet aan de eisen voor de categorie E bij B en B.

  9. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie D1 niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie E bij B afgenomen. Indien betrokkene blijkens die rijproef aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt aangenomen dat hij mede voldoet aan de eisen voor de categorie B.

  10. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie E bij B niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie B afgenomen.

  11. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie A niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie A2 afgenomen.

  12. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie A2 niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef voor de categorie A1 afgenomen.

  13. Indien betrokkene blijkens de rijproef voor de categorie A1 of blijkens een rijproef op grond van een van de voorgaande leden niet aan de voor die categorie gestelde eisen voldoet, wordt een rijproef afgenomen voor de categorie AM.

  14. Indien het onderzoek betrekking heeft op, dan wel mede betrekking heeft op de rijbewijscategorie T en het eerste of tweede lid niet van toepassing zijn, wordt een rijproef voor de categorie T afgenomen, dan wel wordt mede een rijproef voor de categorie T afgenomen.

Artikel 136

  1. Het in artikel 133 van de wet bedoelde onderzoek naar de rijvaardigheid vindt plaats aan de hand van de bij ministeriële regeling ter uitvoering van de artikelen 60a tot en met 64a, 69a en 70 vastgestelde eisen met betrekking tot de rijvaardigheid.

  2. In afwijking van het eerste lid vindt het in artikel 134a bedoelde onderzoek plaats aan de hand van de bij ministeriële regeling ter uitvoering van de artikelen 60a tot en met 64a, 69a en 70 vastgestelde eisen met betrekking tot het onderdeel rijgedrag.

Artikel 137

  1. De rijproef wordt afgelegd met een motorrijtuig dan wel een samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen van de rijbewijscategorie waarop het onderzoek betrekking heeft. De artikelen 69b en 71 tot en met 81a zijn van overeenkomstige toepassing.

  2. Het motorrijtuig dan wel het samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen, waarmee de rijproef wordt afgelegd, dient naar het oordeel van het CBR daartoe geschikt te zijn.

Artikel 138

De duur van de rijproef bedraagt voor de rijbewijscategorieën AM, A1, A2, A, B en E bij B ten minste 35 minuten en voor de rijbewijscategorieën C1, C, D1, D, E bij C1, E bij C, E bij D1, E bij D en T ten minste 60 minuten.

Artikel 139

De rijproef kan binnen de voorgeschreven tijd worden gestaakt, indien betrokkene naar het oordeel van de deskundige of deskundigen door zijn wijze van rijden de veiligheid op de weg in gevaar brengt. Indien het onderzoek naar de rijvaardigheid betrekking heeft op de rijbewijscategorieën A1, A2 en A, kan de rijproef eveneens binnen de voorgeschreven tijd worden gestaakt, indien betrokkene naar het oordeel van de deskundige of deskundigen de bijzondere verrichtingen niet op juiste en veilige wijze uitvoert.

Artikel 140

Indien betrokkene bij een rijproef blijkt aan de eisen te voldoen doch bij het theorie-gedeelte wordt afgewezen, wordt hij in de gelegenheid gesteld binnen zes weken na het onderzoek aan een nieuw onderzoek voor dit theorie-gedeelte deel te nemen.

Artikel 141

  1. Het CBR deelt de uitslag van het onderzoek en het naar aanleiding daarvan door hem genomen besluit mede aan degene die de in artikel 130 van de wet bedoelde mededeling heeft gedaan.

  2. Indien de uitslag van het onderzoek inhoudt dat betrokkene niet de rijvaardigheid bezit voor een of meer categorieën motorrijtuigen die in de vordering zijn vermeld, deelt het CBR de uitslag van het onderzoek en het naar aanleiding daarvan door hem genomen besluit tevens mede aan:

    1. degene die het rijbewijs heeft afgegeven, indien het ongeldig is verklaard voor alle categorieën waarvoor het is afgegeven;

    2. degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen, indien het niet voor alle categorieën waarvoor het is afgegeven, ongeldig is verklaard dan wel indien de ongeldigverklaring betrekking heeft op een deel van de geldigheidsduur.

Artikel 142

Het in artikel 133 van de wet bedoelde onderzoek naar de geschiktheid vindt plaats aan de hand van de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid en mag slechts betreffen:

  1. indien betrokkene de leeftijd van 70 jaren nog niet heeft bereikt, de punten waaromtrent in de gezondheidsverklaring vragen zijn gesteld;

  2. indien betrokkene de leeftijd van 70 jaren heeft bereikt, bovendien de punten waaromtrent in het keuringsverslag volgens een door het CBR vastgesteld model vragen zijn gesteld.

Artikel 143

  1. Het CBR deelt de uitslag van het onderzoek en het naar aanleiding daarvan door hem genomen besluit mede aan degene die de in artikel 130 van de wet bedoelde mededeling heeft gedaan.

  2. Indien de uitslag van het onderzoek inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen of dat er redelijke grond bestaat voor de verwachting dat betrokkene slechts aan die eisen voldoet voor een termijn die korter is dan de tijdsduur waarvoor het rijbewijs op het tijdstip van het onderzoek nog geldig is, deelt het CBR de uitslag van het onderzoek en het naar aanleiding daarvan door hem genomen besluit tevens mede aan degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen.

← terug naar Reglement rijbewijzen