Visserijwet 1963 Actueel

Inhoud

§ 3

Maatregelen in het belang van de visserij

Artikel 16

  1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van het vissen in de wateren, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel d, regelen worden gesteld:

    1. in het belang van de visserij in die wateren, de doelmatigheid daaronder begrepen, of

    2. ter voorkoming van schade voor de volksgezondheid bij consumptie van de in die wateren voorkomende vis als gevolg van het gebruik van bepaalde vang- of lokmethoden.

  2. Bij het stellen van regelen als bedoeld in het eerste lid wordt mede rekening gehouden met:

    1. de belangen van de natuurbescherming, en

    2. de invloed van het gebruik van bepaalde vang- of lokmethoden op het welzijn van de in de in het eerste lid bedoelde wateren voorkomende vis.

  3. Bij of krachtens een maatregel als bedoeld in het eerste lid kunnen mede voorschriften worden gegeven in het belang van de naleving van de aldaar bedoelde regelen.

Artikel 17

  1. Het is verboden in een water als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder d, op het visrecht waarvan een ander de rechthebbende is, vis uit te zetten, zonder in het bezit te zijn van een schriftelijke toestemming van de rechthebbende.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder vis mede begrepen vissen, schaal- en schelpdieren en kuit, broed en zaad van vissen en schaal- en schelpdieren, die niet krachtens artikel 1, tweede lid, zijn aangewezen.

  3. Voor de geldigheid van een schriftelijke toestemming als bedoeld in het eerste lid, is vereist dat deze duidelijk leesbaar en in niet uit te wissen schrift ten minste vermeldt: de naam, de voorletters en de woonplaats van de rechthebbende op het visrecht en van de houder, de geboortedatum van de houder, de omschrijving van het water, de vissoort en de periode, waarvoor zij geldt en de dagtekening.

← terug naar Visserijwet 1963