In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken, wijzigen of

schorsen indien:

  1. de vergunninghouder en/of leidinggevenden de bepalingen in deze afdeling overtreden;

  2. aannemelijk is dat de vergunninghouder en/of leidinggevenden betrokken zijn, of hun ernstige

  3. nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit de inrichting die een gevaar

  4. opleveren voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging

  5. vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

  6. de vergunninghouder en/of leidinggevenden toestaan of gedogen dat in de openbare inrichting

  7. strafbare feiten worden gepleegd;

  8. de vergunninghouder en/of leidinggevenden zich schuldig maken aan discriminatie wegens

  9. godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of welke grond dan ook;

  10. zich in of vanuit de inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het

  11. (ongewijzigd) geopend blijven van de openbare inrichting gevaar oplevert voor de openbare

  12. orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormt voor het woon- of

  13. leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

  14. een vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste drie maal op grond van artikel

  15. 2:28c, eerste lid van deze verordening om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij

  16. de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste

  17. driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 2:28c, vierde lid van deze verordening.