Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde
lid intrekken of wijzigen indien:
door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of
door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt
beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of
de voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd; of
de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of
de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij
activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat
strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt
beïnvloed; of
er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of
de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een
gewijzigde exploitatie; of
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de
vergunning vermelde in overeenstemming is;
er aanwijzingen zijn dat in strijd wordt gehandeld met de Wet arbeid vreemdelingen of de
Vreemdelingenwet 2000; of
indien de vestiging of exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer, zoals die
wet luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of een
omgevingsplan.