Een hellingbaan als bedoeld in de artikelen 4.25 en 4.192 heeft een breedte van ten minste 1,1 m, een hoogte van niet meer dan 1 m en een helling van ten hoogste:
1 : 12 als het hoogteverschil niet groter is dan 0,25 m;
1 : 16 als het hoogteverschil groter is dan 0,25 m, maar niet groter dan 0,5 m; en
1 : 20 als het hoogteverschil groter is dan 0,5 m.