-
Een bouwwerk heeft voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen door personen.
-
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.24 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Besluit bouwwerken leefomgeving Actueel
Inhoud
§ 4.2.4
Artikel 4.25
-
Een hoogteverschil van meer dan 0,21 m wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. Dit geldt voor een hoogteverschil tussen:
vloeren waarover een vluchtroute voert;
vloeren van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten;
vloeren voor bezoekers; en
vloeren van een verkeersroute die deze vloeren met elkaar verbindt.
Dit geldt ook voor een hoogteverschil op een route vanaf het aansluitende terrein naar een in dit lid bedoelde vloer.
-
Voor zover de vluchtroute door een wegtunnelbuis voert, geldt in afwijking van het eerste lid een hoogteverschil van meer dan 0,3 m.
Artikel 4.26
-
Een trap als bedoeld in artikel 4.25 voldoet aan de in tabel 4.26 aangegeven afmetingen.
-
Een trap overbrugt een hoogteverschil van niet meer dan 4 m.
Artikel 4.26a
Een trap als bedoeld in artikel 4.25, is op de bovenste en onderste trederand over de volle breedte voorzien van een markering van ten minste 50 mm met een hoog contrast. De overige treden zijn aan beide zijkanten voorzien van markeringen van ten minste 50 mm met een hoog contrast.
Artikel 4.27
Een trap als bedoeld in artikel 4.25 sluit bij de bovenste trede, over de breedte van de trap, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,8 m x 0,8 m.
Artikel 4.28
-
Een trap als bedoeld in artikel 4.25 voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1 m en met een helling ter plaatse van de klimlijn groter dan 2:3 heeft aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,8 m en ten hoogste 1 m.
-
Een trap als bedoeld in het eerste lid heeft aan beide zijkanten een leuning die aan het begin en aan het einde van de trap ten minste 30 cm horizontaal doorloopt.
Artikel 4.29
Een gemeenschappelijke verkeersruimte met een trap voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1,5 m is ter plaatse van die trap, bepaald volgens NEN 2778, regenwerend. Dit is niet van toepassing op een trap die alleen bestemd is om het bouwwerk te ontvluchten.
Artikel 4.30
Een hellingbaan als bedoeld in de artikelen 4.25, 4.172, 4.182, 4.189 en 4.192 heeft een breedte van ten minste 1,1 m, een hoogte van niet meer dan 1 m en een helling van ten hoogste:
1 : 6 als het hoogteverschil niet groter is dan 0,05 m;
1 : 10 als het hoogteverschil groter is dan 0,05 m, maar niet groter dan 0,10 m;
1 : 12 als het hoogteverschil groter is dan 0,10 m, maar niet groter dan 0,25 m;
1 : 16 als het hoogteverschil groter is dan 0,25 m, maar niet groter dan 0,5 m; en
1 : 20 als het hoogteverschil groter is dan 0,5 m.
Artikel 4.31
Een hellingbaan als bedoeld in de artikelen 4.25, 4.172, 4.182, 4.189 en 4.192 sluit aan de bovenzijde, over de breedte van de hellingbaan, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 1,4 m x 1,4 m. Dit geldt niet als het hoogteverschil van de hellingbaan kleiner is dan 0,03 m.
Artikel 4.32
Een hellingbaan als bedoeld in artikel 4.25 heeft aan de zijkant een aaneengesloten geleiderand, met een vanaf de vloer van de hellingbaan gemeten hoogte van ten minste 0,04 m.
Artikel 4.33
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk is artikel 4.25 van toepassing.