-
De termijn voor het inbrengen van bedenkingen bedraagt zes weken.
-
De termijn begint met ingang van de dag na die waarop de onteigeningsbeschikking overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage is gelegd en hiervan kennis is gegeven.
-
Artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
-
De rechtbank laat na afloop van de termijn ingebrachte bedenkingen niet op grond daarvan buiten beschouwing als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de belanghebbende in verzuim is geweest.
Inhoud
Artikel 16.98
HISTORISCH
Je bekijkt een oudere officiële versie van 18-02-2026.
Deze versie geldt vanaf 18-02-2026.
01-07-2026
Huidig
04-06-2026
Historisch
18-02-2026
Historisch
01-01-2026
Historisch
01-07-2025
Historisch
01-01-2024
Historisch
Tekst van deze versie
-
De termijn voor het inbrengen van bedenkingen bedraagt zes weken.
-
De termijn begint met ingang van de dag na die waarop de onteigeningsbeschikking overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage is gelegd en hiervan kennis is gegeven.
-
Artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
-
De rechtbank laat na afloop van de termijn ingebrachte bedenkingen niet op grond daarvan buiten beschouwing als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de belanghebbende in verzuim is geweest.
Nog geen automatische verwijzingen.
Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.