Omgevingswet Actueel

Inhoud

Afdeling 19.1

Ongewoon voorval

Artikel 19.1

  1. In deze afdeling wordt onder het voorkomen van de nadelige gevolgen van een ongewoon voorval ook verstaan:

    1. het zoveel mogelijk beperken of ongedaan maken van die gevolgen,

    2. het voorkomen dat het voorval verergert, voortduurt of zich herhaalt,

    3. het wegnemen van de oorzaak van het voorval.

  2. In deze afdeling wordt onder de veroorzaker verstaan de natuurlijke persoon of rechtspersoon:

    1. die de activiteit waardoor het ongewoon voorval is veroorzaakt, verricht of heeft verricht,

    2. die houder is van een omgevingsvergunning of een andere vorm van publiekrechtelijke toestemming voor het verrichten van die activiteit,

    3. die van de activiteit een melding als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, heeft gedaan,

    4. aan wie op het tijdstip van het voorval over die activiteit een doorslaggevende economische zeggenschap was overgedragen.

  3. Deze afdeling is niet van toepassing op ongewone voorvallen waarop de Kernenergiewet van toepassing is.

Artikel 19.2

  1. In deze afdeling wordt onder bevoegd gezag verstaan:

    1. het bestuursorgaan waarbij op grond van artikel 18.2 de bestuursrechtelijke handhavingstaak berust of dat op grond van artikel 18.3 of 18.4 bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang, of

    2. voor zover het ongewoon voorval betrekking heeft op luchtverontreiniging: de commissaris van de Koning.

  2. Als bij een ongewoon voorval meer bevoegde bestuursorganen zijn betrokken, stemmen deze bestuursorganen de nodige maatregelen om de nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen op elkaar af. In spoedeisende gevallen kan van afstemming worden afgezien, mits zo spoedig mogelijk na het treffen van de eerst noodzakelijke maatregelen afstemming plaatsvindt.

Artikel 19.3

  1. Het bevoegd gezag dat wordt geïnformeerd over een ongewoon voorval, geeft van dat voorval, de daarover verstrekte gegevens en de getroffen of voorgenomen maatregelen onverwijld kennis aan:

    1. de burgemeester van de gemeente waarin dat voorval zich voordoet, of als de nadelige gevolgen van dat voorval gemeenteoverstijgend zijn, aan de voorzitter van de veiligheidsregio waarin dat voorval zich voordoet,

    2. de beheerder van een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk, als het voorval verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam veroorzaakt of de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk belemmert,

    3. de Inspectie Leefomgeving en Transport, en

    4. andere bestuursorganen of overheidsdiensten, die belang hebben bij een onverwijlde kennisgeving.

  2. Het bevoegd gezag kan de veroorzaker verplichten aanvullende informatie te verstrekken over het voorval, de getroffen maatregelen en de gevolgen van die maatregelen.

Artikel 19.4

  1. Het bevoegd gezag verplicht de veroorzaker tot het treffen van de maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen.

  2. Het bevoegd gezag kan aanwijzingen geven over het verrichten van de activiteit of het treffen van maatregelen, waaronder de aanwijzing om de activiteit waardoor het ongewoon voorval is veroorzaakt, onmiddellijk stil te leggen.

  3. Artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

  4. Als een ongewoon voorval de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk belemmert of dreigt te belemmeren, kan het bestuur waarbij de zuiveringstaak, bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, onder a, onder 2°, berust het bevoegd gezag verzoeken de veroorzaker van het voorval te verplichten tot het treffen van de nodige maatregelen of de veroorzaker de nodige aanwijzingen te geven om de nadelige gevolgen voor de werking van het zuiveringtechnische werk te beperken of weg te nemen.

  5. Het bevoegd gezag geeft onverwijld uitvoering aan dit verzoek, voor zover dat niet in strijd is met het belang van de bescherming van het milieu.

Artikel 19.5

  1. Als niet onmiddellijk of tijdig kan worden vastgesteld door wie of waardoor het ongewoon voorval is veroorzaakt, kan het bevoegd gezag of, als niet onmiddellijk of tijdig kan worden vastgesteld welk bestuursorgaan bevoegd is, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het voorval zich voordoet, preventieve of herstelmaatregelen treffen.

  2. Een beslissing tot het treffen van maatregelen wordt op schrift gesteld en geldt als een beschikking. De beschikking wordt onmiddellijk aan de veroorzaker gezonden, zodra die bekend is.

  3. Als het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het voorval zich voordoet, toepassing geeft aan het eerste lid, zijn de artikelen 19.3, tweede lid, 19.4 en 19.6 van toepassing, zodra bekend is wie de veroorzaker is.

Artikel 19.6

  1. Als het bevoegd gezag maatregelen treft of laat treffen door derden, verhaalt het de kosten van die maatregelen op de veroorzaker.

  2. De artikelen 5:10, tweede lid, en 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 19.7

  1. Het bevoegd gezag ziet erop toe dat de nodige gegevens worden verzameld om het ongewoon voorval te analyseren en de oorzaak ervan te achterhalen.

  2. Om herhaling te voorkomen wijzigt het bevoegd gezag zo nodig de voorschriften van de omgevingsvergunning, stelt het, als voor de activiteit regels gelden als bedoeld in artikel 4.1 of 4.3, maatwerkvoorschriften of doet het, als het daarvoor niet zelf bevoegd is, daarop gerichte aanbevelingen.

← terug naar Omgevingswet