Voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a.
Omgevingswet Actueel
Inhoud
§ 22.1.2
Artikel 22.9
Op een in het tijdelijke deel van het omgevingsplan aangewezen onderdeel als bedoeld in artikel 3.4 van de Wet ruimtelijke ordening waarvan verwezenlijking in de naaste toekomst nodig wordt geacht blijft het oude recht van toepassing, uiterlijk tot vijf jaar na de dag met ingang waarvan die aanwijzing geldt.
Artikel 22.10
In het tijdelijke deel van het omgevingsplan opgenomen regels als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening gelden als regels als bedoeld in artikel 5.21, tweede lid, onder a.
Artikel 22.11
Een in het tijdelijke deel van het omgevingsplan opgenomen bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening over in dat deel van het plan omschreven onderwerpen of onderdelen geldt als een bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften in het omgevingsplan over daarbij aangewezen onderwerpen als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid.
Artikel 22.12
Als in het tijdelijke deel van een omgevingsplan op grond van artikel 3.6a van de Wet ruimtelijke ordening is uitgesloten dat van dat plan voor een bepaalde termijn kan worden afgeweken met een omgevingsvergunning, geldt die bepaling als een verbod om voor een termijn van ten hoogste tien jaar een activiteit te verrichten.
Artikel 22.13
-
Een omgevingsvergunning die wordt verleend op grond van een regel in het tijdelijke deel als bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder a, van het omgevingsplan geldt niet als schadeveroorzakend besluit als bedoeld in artikel 15.1, tweede lid.
-
Een onherroepelijk besluit tot aanwijzing van:
een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument of provinciaal monument,
een gemeentelijk of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht,
een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht,
waarvan de inhoud wordt opgenomen in een omgevingsplan geldt niet als schadeveroorzakend besluit als bedoeld in artikel 15.1, eerste lid, aanhef en onder d.
Artikel 22.13a
-
Dit artikel geldt voor een locatie waarvoor:
de geldende regels over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie in het omgevingsplan alleen de daarover in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder c, gestelde regels omvatten, en
voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de bouwverordening, bedoeld in artikel 8 van de Woningwet, een voorschrift bevatte over de toepassing van de bevoegdheid van het bevoegd gezag om voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen te verbinden als het van oordeel is dat de bodem zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het te bouwen bouwwerk, maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde doel.
-
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die niet in strijd is met de regels, bedoeld in het eerste lid, onder a, kan het bevoegd gezag, als het onverminderd die regels van oordeel is dat de bodem zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het gebouw, in afwijking van artikel 5.34, eerste lid, voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden die ertoe strekken dat de bodem alsnog geschikt wordt gemaakt voor het beoogde doel.