-
Het bestuursorgaan dat een onteigeningsbeschikking heeft gegeven, verzoekt de bestuursrechter deze te bekrachtigen.
-
Het verzoekschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
de naam en het adres van het bestuursorgaan,
de dagtekening,
een omschrijving van de onteigeningsbeschikking waarop het verzoek betrekking heeft.
-
Bij het verzoekschrift worden overgelegd:
een afschrift van de onteigeningsbeschikking,
de op de onteigeningsbeschikking betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de behandeling van het verzoek.
Omgevingswet Actueel
Inhoud
Afdeling 16.9
Artikel 16.94
-
Het verzoek wordt ingediend bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de voor onteigening aangewezen onroerende zaken liggen. Als de onroerende zaken in het rechtsgebied van meer dan een rechtbank liggen, is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft.
-
De artikelen 6:14, eerste lid, en 6:15, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.95
Het verzoek kan niet-ontvankelijk worden verklaard als niet is voldaan aan artikel 16.93, tweede en derde lid, mits de verzoeker de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Artikel 16.96
-
De termijn voor het indienen van een verzoekschrift bedraagt zes weken.
-
De termijn begint met ingang van de dag na die waarop de onteigeningsbeschikking overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage is gelegd en hiervan kennis is gegeven.
-
De artikelen 6:9 tot en met 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.97
-
Belanghebbenden kunnen bij de rechtbank schriftelijk bedenkingen inbrengen tegen de onteigeningsbeschikking. Als belanghebbenden worden in ieder geval aangemerkt:
eigenaren,
erfpachters,
opstallers,
eigenaren van een heersend erf,
rechthebbenden op rechten van gebruik en bewoning,
rechthebbenden op rechten als bedoeld in artikel 150, vijfde lid, van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek,
bezitters,
huurkopers,
huurders, waaronder ook onderhuurders aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd,
pachters, waaronder ook onderpachters aan wie bevoegdelijk is onderverpacht, en
schuldeisers die de nakoming van een verplichting als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek kunnen vorderen.
-
De artikelen 6:5, eerste en derde lid, en 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.98
-
De termijn voor het inbrengen van bedenkingen bedraagt zes weken.
-
De termijn begint met ingang van de dag na die waarop de onteigeningsbeschikking overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage is gelegd en hiervan kennis is gegeven.
-
Artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
-
De rechtbank laat na afloop van de termijn ingebrachte bedenkingen niet op grond daarvan buiten beschouwing als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de belanghebbende in verzuim is geweest.
Artikel 16.99
-
Binnen vier weken nadat de rechtbank de bedenkingen aan het bestuursorgaan heeft verzonden, dient dit een reactie daarop in bij de rechtbank.
-
De rechtbank kan deze termijn verlengen.
Artikel 16.100
-
De rechtbank kan belanghebbenden die bedenkingen hebben ingebracht tegen de onteigeningsbeschikking in de gelegenheid stellen schriftelijk te repliceren. In dat geval wordt het bestuursorgaan in de gelegenheid gesteld schriftelijk te dupliceren. De rechtbank stelt de termijnen voor repliek en dupliek vast.
-
De rechtbank stelt andere partijen in de gelegenheid om ten minste eenmaal een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven. De rechtbank stelt hiervoor een termijn vast.
Artikel 16.101
-
De rechtbank kan, als de zaak spoedeisend is, bepalen dat deze versneld wordt behandeld.
-
In dat geval kan de rechtbank:
de in artikel 16.99 bedoelde termijn verkorten,
artikel 16.100, tweede lid, geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten,
artikel 8:47, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten,
in afwijking van artikel 16.113 de in artikel 8:47, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrechtbedoelde termijn verkorten,
in afwijking van artikel 16.113 de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrechtbedoelde termijn verkorten.
-
Als de rechtbank bepaalt dat de zaak versneld wordt behandeld, bepaalt zij ook zo spoedig mogelijk het tijdstip waarop de zitting zal plaatsvinden en doet zij daarvan onverwijld mededeling aan partijen. In afwijking van artikel 16.113 is artikel 8:56 van de Algemene wet bestuursrecht niet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.102
Blijkt aan de rechtbank bij de behandeling dat de zaak niet voldoende spoedeisend is om een versnelde behandeling te rechtvaardigen of dat de zaak een gewone behandeling vordert, dan bepaalt zij dat de zaak verder op de gewone wijze wordt behandeld.
Artikel 16.103
-
Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de rechtbank te verschijnen, kan de rechtbank het onderzoek sluiten, als voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat:
het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is,
het verzoek moet worden afgewezen omdat de onteigeningsbeschikking kennelijk niet kan worden bekrachtigd.
-
In de uitspraak na toepassing van het eerste lid worden partijen gewezen op artikel 16.104.
Artikel 16.104
-
Tegen de uitspraak kan het bestuursorgaan verzet doen bij de rechtbank.
-
De artikelen 6:4, derde lid, 6:5 tot en met 6:9, 6:11, 6:14, 6:15, 6:17, 6:21 en 8:55, vierde tot en met tiende lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16.105
-
Als er geen bedenkingen tegen de onteigeningsbeschikking zijn ingebracht, doet de rechtbank binnen zes maanden na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 16.98, eerste lid, uitspraak op het verzoek tot bekrachtiging.
-
Als er bedenkingen tegen de onteigeningsbeschikking zijn ingebracht, doet de rechtbank binnen zes maanden na ontvangst van de reactie op de bedenkingen, bedoeld in artikel 16.99, eerste lid, uitspraak op het verzoek tot bekrachtiging.
-
Als krachtens artikel 16.113artikel 8:51a of 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegepast, doet de rechtbank in afwijking van het eerste of tweede lid:
binnen zes maanden na ontvangst van de reactie op de bedenkingen een tussenuitspraak, en
binnen zes maanden na verzending van de tussenuitspraak een einduitspraak.
Artikel 16.106
-
De rechtbank doet uitspraak op grondslag van het verzoekschrift, de basistoets, bedoeld in artikel 16.107, de bedenkingen die tegen de onteigeningsbeschikking zijn ingebracht, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.
-
De rechtbank vult ambtshalve de rechtsgronden van de bedenkingen aan.
-
De rechtbank kan ambtshalve de feiten van de bedenkingen aanvullen.
Artikel 16.107
Ongeacht of tegen de onteigeningsbeschikking bedenkingen zijn ingebracht, wijst de rechtbank het verzoek in ieder geval af als:
de onteigeningsbeschikking niet volgens de wettelijke vormvoorschriften is voorbereid,
het onteigeningsbelang, bedoeld in artikel 11.5, onder a, ontbreekt,
de noodzaak, bedoeld in artikel 11.5, onder b, ontbreekt, of
de urgentie, bedoeld in artikel 11.5, onder c, ontbreekt.
Artikel 16.108
-
De uitspraak strekt tot:
onbevoegdverklaring van de rechtbank,
niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek,
afwijzing van het verzoek, of
toewijzing van het verzoek.
-
Als de rechtbank het verzoek geheel of gedeeltelijk toewijst, bekrachtigt zij de onteigeningsbeschikking geheel of gedeeltelijk.
Artikel 16.109
-
De schriftelijke uitspraak vermeldt:
de namen van partijen en van hun vertegenwoordigers of gemachtigden,
de gronden van de beslissing,
de beslissing,
de naam van de rechter of de namen van de rechters,
de dag waarop de beslissing is uitgesproken, en
door wie, binnen welke termijn en bij welke bestuursrechter welk rechtsmiddel kan worden aangewend.
-
De uitspraak wordt ondertekend door de voorzitter en de griffier. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in de uitspraak vermeld.
Artikel 16.110
-
De uitspraak houdt ook in dat van het bestuursorgaan een griffierecht wordt geheven.
-
Het griffierecht bedraagt het tarief, genoemd in artikel 8:41, tweede lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, vermeerderd met het tarief, genoemd in artikel 8:41, tweede lid, onder b, van die wet, voor elk bedenkingengeschrift dat door een belanghebbende bij de rechtbank tegen de onteigeningsbeschikking is ingebracht.
Artikel 16.111
De uitspraak houdt ook in dat het bestuursorgaan wordt veroordeeld in de kosten die een belanghebbende die een bedenking tegen de onteigeningsbeschikking heeft ingebracht, in verband met de behandeling van het verzoek naar aard en omvang redelijkerwijs heeft moeten maken.
Artikel 16.112
De uitspraak houdt ook in dat het bestuursorgaan wordt veroordeeld in de kosten die de belanghebbende die een bedenking tegen de onteigeningsbeschikking heeft ingebracht, naar aard en omvang redelijkerwijs heeft moeten maken voor:
door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand of andere deskundige bijstand voor het overleg over de minnelijke verwerving, bedoeld in artikel 11.7, eerste lid, en
door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand of andere deskundige bijstand in verband met het naar voren brengen van een zienswijze en de behandeling daarvan bij de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking.
Artikel 16.113
-
Op een verzoek tot bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking en de behandeling daarvan zijn de artikelen 6:9, 6:14, 6:17, 6:22, 8:10 tot en met 8:12, 8:15 tot en met 8:28, 8:29 tot en met 8:40a, 8:41a, 8:44 tot en met 8:51d, 8:56 tot en met 8:68, 8:76, 8:78, 8:79, 8:80a en 8:80b van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
-
Artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht is alleen van toepassing als toepassing is gegeven aan de artikelen 8:51a tot en met 8:51d van die wet.
Artikel 16.114
-
Het bestuursorgaan legt de uitspraak van de rechtbank op een verzoek als bedoeld in artikel 16.93 en de beschikking waarop de uitspraak betrekking heeft ter inzage.
-
De termijn van terinzagelegging bedraagt ten minste zes weken.
Artikel 16.115
-
Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft het bestuursorgaan kennis van de uitspraak door middel van:
toezending van de uitspraak aan de belanghebbenden aan wie de onteigeningsbeschikking op grond van artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht is bekendgemaakt, en
kennisgeving op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze.
-
Bij de toezending vermeldt het bestuursorgaan waar en wanneer de uitspraak ter inzage zal liggen.
Artikel 16.116
-
Van de indiener van een verzoek om een uitspraak op het verzoek tot bekrachtiging van een onteigeningsbeschikking te herzien wordt een griffierecht geheven.
-
Het griffierecht bedraagt:
het tarief, bedoeld in artikel 8:41, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, als het verzoek is ingediend door een natuurlijke persoon,
het tarief, bedoeld in artikel 8:41, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, als het verzoek anders dan door een natuurlijke persoon is ingediend.