De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd, behoudens in de volgende gevallen:
- 1°
bij de misdrijven omschreven in de artikelen 172, eerste lid, 173, eerste lid, 173<em>a</em> en 173<em>b</em>, vangt de termijn aan op de dag na die waarop het misdrijf ter kennis is gekomen van een ambtenaar belast met de opsporing van strafbare feiten;
- 2°
bij valsheid of muntschennis op de dag na die waarop gebruik is gemaakt van het voorwerp ten opzichte waarvan de valsheid of muntschennis gepleegd is;
- 3°
bij de misdrijven omschreven in de artikelen 240<em>b</em> en 242 tot en met 250<em>a</em>, en gepleegd ten aanzien van een minderjarige, op de dag na die waarop die persoon achttien jaren is geworden;
- 4°
bij de misdrijven omschreven in de artikelen 278, 279, 282 en 282<em>a</em> op de dag na die van de bevrijding of de dood van hem tegen wie onmiddellijk het misdrijf gepleegd is;
- 5°
bij de overtredingen omschreven in de artikelen 465, 466 en 467, op de dag na die waarop ingevolge de voorschriften gegeven in of ter uitvoering van artikel 18c van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, de aldaar bedoelde registers waaruit zodanige overtreding blijkt, naar de centrale bewaarplaats, bedoeld in afdeling 8 van hoofdstuk 1 van het Besluit burgerlijke stand 1994 zijn overgebracht.