Wetboek van Strafrecht Actueel

Inhoud

Titel VI

Samenloop van strafbare feiten

Artikel 55

  1. Valt een feit in meer dan één strafbepaling, dan wordt slechts één van die bepalingen toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

  2. Indien voor een feit dat in een algemene strafbepaling valt een bijzondere strafbepaling bestaat, komt deze alleen in aanmerking.

Artikel 56 (Voortgezet handelen)

  1. Staan meerdere feiten, ofschoon elk op zichzelf misdrijf of overtreding opleverende, in zodanig verband dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling, dan wordt slechts één strafbepaling toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

  2. Insgelijks wordt slechts één strafbepaling toegepast bij schuldigverklaring aan valsheid of muntschennis en aan het gebruikmaken van het voorwerp ten opzichte waarvan de valsheid of muntschennis gepleegd is.

Artikel 57 (Meerdaadse samenloop)

  1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.

  2. De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is niet hoger dan het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld en mag – voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft – niet meer dan de helft boven het hoogste maximum uitgaan.

Artikel 58

Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop ongelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, kan elk van die straffen worden opgelegd, doch deze mogen - voor zover het gevangenisstraf en hechtenis betreft - te zamen in duur de langstdurende niet meer dan met de helft overtreffen.

Artikel 59

Bij veroordeling tot levenslange gevangenisstraf kunnen daarnevens geen andere straffen worden opgelegd dan ontzetting van bepaalde rechten, verbeurdverklaring van reeds in beslag genomen voorwerpen en openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

Artikel 60

Bij samenloop als bedoeld in de artikelen 57 en 58 geldt dat:

  1. de straffen van ontzetting van dezelfde rechten worden opgelost in één straf met inachtneming van het bepaalde in artikel 31;

  2. de straffen van ontzetting van verschillende rechten en van verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen voor elk misdrijf afzonderlijk en zonder vermindering worden opgelegd;

  3. voor de verbeurdverklaring en de maatregel, bedoeld in artikel 36f, de vervangende vrijheidsstraffen gezamenlijk het maximum, bepaald in artikel 24c, derde lid, niet mogen overschrijden.

Artikel 61

  1. De betrekkelijke zwaarte van ongelijksoortige hoofdstraffen wordt bepaald door de volgorde van artikel 9.

  2. Waar de rechter de keuze tussen twee hoofdstraffen is gelaten, komt bij de vergelijking alleen de zwaarste van die straffen in aanmerking.

  3. De betrekkelijke zwaarte van gelijksoortige hoofdstraffen wordt bepaald door het maximum.

  4. De betrekkelijke duur, zowel van ongelijksoortige als van gelijksoortige hoofdstraffen, wordt eveneens bepaald door het maximum.

Artikel 62

  1. Bij samenloop op de wijze in de artikelen 57 en 58 bedoeld, hetzij van overtredingen met misdrijven, hetzij van overtredingen onderling, wordt voor elke overtreding zonder vermindering straf opgelegd.

  2. De vervangende vrijheidsstraffen mogen voor de misdrijven en overtredingen of voor de overtredingen gezamenlijk het maximum, bepaald in artikel 24c, derde lid, niet overschrijden.

Artikel 63 (Samenloopregeling)

  1. Indien iemand, nadat hij onherroepelijk tot straf is veroordeeld, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.

  2. In het geval meer veroordelingen zijn uitgesproken, wordt enkel in aanmerking genomen de veroordeling waarbij de hoogste straf is opgelegd.

  3. In het geval het strafbare feit waaraan iemand schuldig wordt verklaard een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld, kan de rechter gemotiveerd beslissen om een op het eerste lid aanvullende gevangenisstraf op te leggen van niet meer dan een derde van het op dat feit gestelde maximum, indien sprake is van een gegeven dat tijdens het opsporingsonderzoek of gedurende de fase van vervolging aan de officier van justitie of de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met feiten of omstandigheden het ernstige vermoeden had doen ontstaan dat, indien het gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot het opleggen van vrijheidsstraf.

← terug naar Wetboek van Strafrecht