Wetboek van Strafrecht

Inhoud

Artikel 77s

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-07-2009.
  1. De maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen kan slechts worden opgelegd, indien

    1. het een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;

    2. de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist, en

    3. de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

  2. De rechter legt de maatregel slechts op, nadat hij zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines. Het advies wordt door de deskundigen gezamenlijk dan wel door ieder van hen afzonderlijk uitgebracht. Indien dit advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend kan de rechter hier slechts gebruik van maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte.

  3. De maatregel kan ook worden opgelegd indien de verdachte niet strafbaar is op de grond dat het feit hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet kan worden toegerekend. Indien bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, dient bij toepassing van het eerste lid één van de gedragsdeskundigen een psychiater te zijn.

  4. Het tweede lid blijft buiten toepassing indien de betrokkene weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht. Voor zover mogelijk maken de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel ieder van hen afzonderlijk over de reden van weigering rapport op. De rechter doet zich zoveel mogelijk een ander advies of rapport, dat hem over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de oplegging van de maatregel kan voorlichten en aan de totstandkoming waarvan de betrokkene wel bereid is om medewerking te verlenen, overleggen.

  5. Indien de maatregel is opgelegd draagt Onze Minister van Justitie de tenuitvoerlegging op aan een inrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, of doet hij de veroordeelde elders opnemen.

  6. De maatregel geldt voor de tijd van twee jaar. De termijn gaat in nadat de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden. De maatregel vervalt bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak waarbij de betrokkene wederom de maatregel wordt opgelegd.

  7. De termijn van de maatregel loopt niet:

    1. gedurende de tijd dat aan de veroordeelde uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is;

    2. wanneer de veroordeelde langer dan een week ongeoorloofd afwezig is uit de plaats die voor de tenuitvoerlegging van de maatregel is aangewezen.

  8. Onze Minister van Justitie kan de maatregel te allen tijde, na advies te hebben ingewonnen van de raad voor de kinderbescherming, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk beëindigen.

01-07-2026 Huidig 01-01-2026 Historisch 01-07-2025 Historisch 15-05-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 01-10-2024 Historisch 01-07-2024 Historisch 01-01-2024 Historisch 01-10-2023 Historisch 01-09-2023 Historisch 01-07-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 01-10-2022 Historisch 01-07-2022 Historisch 01-03-2022 Historisch 26-01-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 01-07-2021 Historisch 01-05-2021 Historisch 25-07-2020 Historisch 01-07-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch 01-04-2019 Historisch 01-03-2019 Historisch 01-01-2019 Historisch 16-10-2018 Historisch 19-09-2018 Historisch 01-07-2018 Historisch 01-05-2018 Historisch 01-01-2018 Historisch 01-09-2017 Historisch 01-03-2017 Historisch 01-01-2017 Historisch 01-07-2016 Historisch 20-04-2016 Historisch 01-01-2016 Historisch 17-11-2015 Historisch 01-08-2015 Historisch 01-07-2015 Historisch 01-01-2015 Historisch 01-07-2014 Historisch 01-05-2014 Historisch 01-04-2014 Historisch 01-03-2014 Historisch 15-02-2014 Historisch 20-01-2014 Historisch 06-01-2014 Historisch 01-01-2014 Historisch 15-11-2013 Historisch 01-09-2013 Historisch 20-08-2013 Historisch 01-07-2013 Historisch 01-04-2013 Historisch 01-01-2013 Historisch 01-11-2012 Historisch 01-10-2012 Historisch 01-07-2012 Historisch 09-05-2012 Historisch 01-04-2012 Historisch 03-01-2012 Historisch 01-01-2012 Historisch 31-12-2011 Historisch 02-07-2011 Historisch 01-07-2011 Historisch 01-03-2011 Historisch 01-01-2011 Historisch 10-10-2010 Historisch 01-10-2010 Historisch 01-09-2010 Historisch 07-07-2010 Historisch 01-07-2010 Historisch 01-04-2010 Historisch 01-01-2010 Historisch 01-07-2009 Historisch 01-04-2009 Historisch 01-09-2008 Historisch 01-07-2008 Historisch 09-05-2008 Historisch 26-03-2008 Historisch 01-02-2008 Historisch 01-01-2008 Historisch 01-09-2007 Historisch 09-05-2007 Historisch 01-02-2007 Historisch 01-01-2007 Historisch 13-12-2006 Historisch 29-11-2006 Historisch 01-09-2006 Historisch 01-08-2006 Historisch 07-07-2006 Historisch 01-04-2006 Historisch 01-02-2006 Historisch 01-01-2006 Historisch 15-10-2005 Historisch 01-08-2005 Historisch 01-07-2005 Historisch 01-01-2005 Historisch 01-11-2004 Historisch 01-10-2004 Historisch 10-08-2004 Historisch 01-07-2004 Historisch 30-06-2004 Historisch 16-06-2004 Historisch 12-05-2004 Historisch 01-05-2004 Historisch 01-02-2004 Historisch 01-01-2004 Historisch 01-10-2003 Historisch 01-09-2003 Historisch 01-01-2003 Historisch 01-10-2002 Historisch 01-09-2002 Historisch 08-08-2002 Historisch 12-07-2002 Historisch 29-05-2002 Historisch 01-04-2002 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-07-2005.

Tekst van deze versie

  1. De maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen kan slechts worden opgelegd, indien

    1. het een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;

    2. de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist, en

    3. de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

  2. De rechter legt de maatregel slechts op, nadat hij zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines. Het advies wordt door de deskundigen gezamenlijk dan wel door ieder van hen afzonderlijk uitgebracht. Indien dit advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend kan de rechter hier slechts gebruik van maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte.

  3. De maatregel kan ook worden opgelegd indien de verdachte niet strafbaar is op de grond dat het feit hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet kan worden toegerekend. Indien bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, dient bij toepassing van het eerste lid één van de gedragsdeskundigen een psychiater te zijn.

  4. Het tweede lid blijft buiten toepassing indien de betrokkene weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht. Voor zover mogelijk maken de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel ieder van hen afzonderlijk over de reden van weigering rapport op. De rechter doet zich zoveel mogelijk een ander advies of rapport, dat hem over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de oplegging van de maatregel kan voorlichten en aan de totstandkoming waarvan de betrokkene wel bereid is om medewerking te verlenen, overleggen.

  5. Indien de maatregel is opgelegd draagt Onze Minister van Justitie de tenuitvoerlegging op aan een inrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, of doet hij de veroordeelde elders opnemen.

  6. De maatregel geldt voor de tijd van twee jaar. De termijn gaat in nadat de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden. De maatregel vervalt bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak waarbij de betrokkene wederom de maatregel wordt opgelegd.

  7. De termijn van de maatregel loopt niet:

    1. gedurende de tijd dat aan de veroordeelde uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is;

    2. wanneer de veroordeelde langer dan een week ongeoorloofd afwezig is uit de plaats die voor de tenuitvoerlegging van de maatregel is aangewezen.

  8. Onze Minister van Justitie kan de maatregel te allen tijde, na advies te hebben ingewonnen van de raad voor de kinderbescherming, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk beëindigen.

2 verwijzing(en)
Hoge Raad | 11-10-2016 | 22-03-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 21-12-2010 | 22-03-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Wetboek van Strafrecht