-
Teneinde toepassing te kunnen geven aan artikel 126m of artikel 126n kan de officier van justitie met inachtneming van artikel 3.10, vierde lid, van de Telecommunicatiewet bevelen dat met behulp van in dat artikel bedoelde apparatuur het nummer waarmee de gebruiker van telecommunicatie kan worden geïdentificeerd, wordt verkregen.
-
Het bevel wordt gegeven aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 3.10, vierde lid, onder a, van de Telecommunicatiewet en is schriftelijk. Bij dringende noodzaak kan het bevel mondeling worden gegeven. In dat geval stelt de officier van justitie het bevel binnen drie dagen op schrift.
-
Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste een week en vermeldt:
de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 126m of artikel 126n en
de naam of een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de gebruiker van telecommunicatie van wie het nummer moet worden verkregen.
-
De officier van justitie doet te zijnen overstaan de processen-verbaal of andere voorwerpen, waaraan een gegeven kan worden ontleend dat is verkregen door toepassing van het eerste lid vernietigen indien dat gegeven niet gebruikt wordt voor de toepassing van artikel 126m of artikel 126n.
Inhoud
Artikel 126na (Vordering identificerende gegevens telecomaanbieder)
Tekst van deze versie
-
Teneinde toepassing te kunnen geven aan artikel 126m of artikel 126n kan de officier van justitie met inachtneming van artikel 3.10, vierde lid, van de Telecommunicatiewet bevelen dat met behulp van in dat artikel bedoelde apparatuur het nummer waarmee de gebruiker van telecommunicatie kan worden geïdentificeerd, wordt verkregen.
-
Het bevel wordt gegeven aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 3.10, vierde lid, onder a, van de Telecommunicatiewet en is schriftelijk. Bij dringende noodzaak kan het bevel mondeling worden gegeven. In dat geval stelt de officier van justitie het bevel binnen drie dagen op schrift.
-
Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste een week en vermeldt:
de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 126m of artikel 126n en
de naam of een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de gebruiker van telecommunicatie van wie het nummer moet worden verkregen.
-
De officier van justitie doet te zijnen overstaan de processen-verbaal of andere voorwerpen, waaraan een gegeven kan worden ontleend dat is verkregen door toepassing van het eerste lid vernietigen indien dat gegeven niet gebruikt wordt voor de toepassing van artikel 126m of artikel 126n.
Dit artikel gaat over de mogelijkheid voor opsporingsambtenaren om gegevens op te vragen van gebruikers van communicatiediensten, zoals internet- of telefoonproviders, wanneer er een verdenking is van een misdrijf.
Wat houdt dit in?
Als er een vermoeden bestaat dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd, mogen opsporingsambtenaren vragen om basisgegevens van die persoon, zoals naam, adres en het soort dienst dat hij of zij gebruikt. Dit is alleen toegestaan als het nodig is voor het onderzoek.
Wat als de aanbieder deze gegevens niet heeft?
Als de aanbieder (bijvoorbeeld een internetprovider) deze gegevens niet direct heeft, kan de officier van justitie eisen dat de aanbieder op een wettelijk bepaalde manier deze gegevens opspoort en verstrekt.
Waarom is dit belangrijk?
Dit artikel zorgt voor een balans tussen het recht van opsporingsdiensten om misdrijven te onderzoeken en de bescherming van de persoonlijke gegevens van burgers.
Nog geen automatische verwijzingen.
Toekomstige opvolger(s)
- Artikel 2.7.47 Nieuw Wetboek van Strafvordering (Vordering identificerende gegevens telecomaanbieder) oud lid 1; lid 3; oud lid 2; lid 4
- Artikel 2.7.55 Nieuw Wetboek van Strafvordering oud lid 4