-
De zaak wordt ter terechtzitting aanhangig gemaakt door eene dagvaarding vanwege den officier van justitie aan den verdachte beteekend; het rechtsgeding neemt hierdoor een aanvang.
-
Dagvaarding kan geschieden ook al is het gerechtelijk vooronderzoek nog niet gesloten. Van de dagvaarding geeft de officier van justitie in dat geval schriftelijk kennis aan de rechter-commissaris. Door deze kennisgeving eindigt het gerechtelijk vooronderzoek. De artikelen 237-240 en 244 vinden alsdan geen toepassing.
-
Indien eene kennisgeving van verdere vervolging is voorafgegaan, moet de omschrijving van het feit in de dagvaarding, op straffe van nietigheid, overeenstemmen met de omschrijving van het feit in de kennisgeving, met dien verstande dat de omschrijving van het feit in de dagvaarding overeenkomstig de door de rechtbank na een ongegrondverklaring van het bezwaarschrift gegeven aanduiding moet worden gewijzigd.
-
Indien ten aanzien van eenig telastegelegd feit eene kennisgeving van verdere vervolging is voorafgegaan, wordt dit in de dagvaarding vermeld.
-
De voorzitter der rechtbank bepaalt, op het verzoek en de voordracht van den officier van justitie, den dag der terechtzitting. Hij kan, bij het bepalen van de dag der terechtzitting of nadien, bevelen dat de verdachte in persoon zal verschijnen; hij kan daartoe tevens zijn medebrenging gelasten. De voorzitter kan ook de medebrenging gelasten van de getuige van wie op grond van feiten en omstandigheden aannemelijk is dat hij niet voornemens is gevolg te geven aan een oproep om ter terechtzitting te verschijnen. Voorts kan de voorzitter van de rechtbank de officier van justitie bevelen, nader omschreven onderzoek te verrichten of doen verrichten, alsmede bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen.
-
De personen als bedoeld in artikel 51e, eerste lid, eerste volzin, derde, vijfde of zesde lid, kunnen de voorzitter verzoeken of het hen toegekende spreekrecht mag worden uitgeoefend door hun raadsman of een daartoe bijzondere gemachtigde. Indien meer dan drie nabestaanden bedoeld onder 51e, vierde lid, onder b, hebben meegedeeld dat zij van hun spreekrecht gebruik willen maken, en zij het onderling niet eens kunnen worden over wie van hen het woord zal voeren, beslist de voorzitter welke drie personen van het spreekrecht gebruik kunnen maken.
Inhoud
Artikel 258
Tekst van deze versie
-
De zaak wordt ter terechtzitting aanhangig gemaakt door eene dagvaarding vanwege den officier van justitie aan den verdachte beteekend; het rechtsgeding neemt hierdoor een aanvang.
-
Dagvaarding kan geschieden ook al is het gerechtelijk vooronderzoek nog niet gesloten. Van de dagvaarding geeft de officier van justitie in dat geval schriftelijk kennis aan de rechter-commissaris. Door deze kennisgeving eindigt het gerechtelijk vooronderzoek. De artikelen 237-240 en 244 vinden alsdan geen toepassing.
-
Indien eene kennisgeving van verdere vervolging is voorafgegaan, moet de omschrijving van het feit in de dagvaarding, op straffe van nietigheid, overeenstemmen met de omschrijving van het feit in de kennisgeving, met dien verstande dat de omschrijving van het feit in de dagvaarding overeenkomstig de door de rechtbank na een ongegrondverklaring van het bezwaarschrift gegeven aanduiding moet worden gewijzigd.
-
Indien ten aanzien van eenig telastegelegd feit eene kennisgeving van verdere vervolging is voorafgegaan, wordt dit in de dagvaarding vermeld.
-
De voorzitter der rechtbank bepaalt, op het verzoek en de voordracht van den officier van justitie, den dag der terechtzitting. Hij kan, bij het bepalen van de dag der terechtzitting of nadien, bevelen dat de verdachte in persoon zal verschijnen; hij kan daartoe tevens zijn medebrenging gelasten. De voorzitter kan ook de medebrenging gelasten van de getuige van wie op grond van feiten en omstandigheden aannemelijk is dat hij niet voornemens is gevolg te geven aan een oproep om ter terechtzitting te verschijnen. Voorts kan de voorzitter van de rechtbank de officier van justitie bevelen, nader omschreven onderzoek te verrichten of doen verrichten, alsmede bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen.
-
De personen als bedoeld in artikel 51e, eerste lid, eerste volzin, derde, vijfde of zesde lid, kunnen de voorzitter verzoeken of het hen toegekende spreekrecht mag worden uitgeoefend door hun raadsman of een daartoe bijzondere gemachtigde. Indien meer dan drie nabestaanden bedoeld onder 51e, vierde lid, onder b, hebben meegedeeld dat zij van hun spreekrecht gebruik willen maken, en zij het onderling niet eens kunnen worden over wie van hen het woord zal voeren, beslist de voorzitter welke drie personen van het spreekrecht gebruik kunnen maken.
Toekomstige opvolger(s)
- Artikel 1.5.6 Nieuw Wetboek van Strafvordering oud lid 3; lid 3
- Artikel 1.5.8 Nieuw Wetboek van Strafvordering oud lid 3; lid 8
- Artikel 4.1.1 Nieuw Wetboek van Strafvordering oud lid 1; lid 1
- Artikel 4.1.6 Nieuw Wetboek van Strafvordering oud lid 2; lid 1
- Artikel 4.1.7 Nieuw Wetboek van Strafvordering oud lid 2; lid 1, onderdelen a, b en d
- Artikel 4.1.8 Nieuw Wetboek van Strafvordering oud lid 2; lid 3