-
De bij of krachtens artikel 141 aangewezen ambtenaren alsmede bepaalde door Onze Minister van Justitie aangewezen categorieën van andere personen, belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn bevoegd met het oog op de vaststelling van de identiteit van de staande gehouden of aangehouden verdachte te vragen naar diens sociaal-fiscaal nummer.
-
De ambtenaren bedoeld in het eerste lid zijn voorts bevoegd een staande gehouden of aangehouden verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, alsmede voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken, een en ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn identiteit.
-
Zij oefenen de bevoegdheden bedoeld in het tweede lid alleen dan in het openbaar uit, indien dit redelijkerwijs noodzakelijk is om wegmaking of beschadiging van voorwerpen waaruit de identiteit van die verdachte zou kunnen blijken,te voorkomen.
-
Van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, maken zij proces-verbaal op, dat aan de officier van justitie ter beschikking wordt gesteld.
-
De met toepassing van het eerste of tweede lid verkregen informatie over het sociaal-fiscaal nummer van de verdachte wordt uitsluitend gebruikt voor de raadpleging van de basisadministratie persoonsgegevens ter verificatie van de identiteit van die verdachte en wordt na raadpleging van de basisadministratie persoonsgegevens vernietigd.
Inhoud
Artikel 55b (Identiteitsfouillering)
Tekst van deze versie
-
De bij of krachtens artikel 141 aangewezen ambtenaren alsmede bepaalde door Onze Minister van Justitie aangewezen categorieën van andere personen, belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn bevoegd met het oog op de vaststelling van de identiteit van de staande gehouden of aangehouden verdachte te vragen naar diens sociaal-fiscaal nummer.
-
De ambtenaren bedoeld in het eerste lid zijn voorts bevoegd een staande gehouden of aangehouden verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, alsmede voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken, een en ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn identiteit.
-
Zij oefenen de bevoegdheden bedoeld in het tweede lid alleen dan in het openbaar uit, indien dit redelijkerwijs noodzakelijk is om wegmaking of beschadiging van voorwerpen waaruit de identiteit van die verdachte zou kunnen blijken,te voorkomen.
-
Van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, maken zij proces-verbaal op, dat aan de officier van justitie ter beschikking wordt gesteld.
-
De met toepassing van het eerste of tweede lid verkregen informatie over het sociaal-fiscaal nummer van de verdachte wordt uitsluitend gebruikt voor de raadpleging van de basisadministratie persoonsgegevens ter verificatie van de identiteit van die verdachte en wordt na raadpleging van de basisadministratie persoonsgegevens vernietigd.
Toekomstige opvolger(s)
- Artikel 2.1.10 Nieuw Wetboek van Strafvordering oud lid 3
- Artikel 2.6.6 Nieuw Wetboek van Strafvordering oud lid 1; lid 1; oud lid 2; lid 1